‘Waar was jij in de oorlog het meest bang voor, opa?’

Familiegeschiedenis Wat weten kleinkinderen van de oorlogsverhalen van hun grootouders? Videobellen over vrede en vrijheid. „Met corona moet je ook op je hoede zijn.”

Etje van Bunschoten (75) en kleinzoon Jack (11). Jack: „Ik vind het heel heftig dat je elk moment afgevoerd kunt worden.”Foto Lars van den Brink
Etje van Bunschoten (75) en kleinzoon Jack (11). Jack: „Ik vind het heel heftig dat je elk moment afgevoerd kunt worden.”Foto Lars van den Brink

‘Er sloeg een granaatscherf in op mijn hoofdkussentje’

Etje Bunschoten (75) past sinds zijn geboorte één dag per week op kleinzoon Jack (11). Ze wonen bij elkaar in de buurt in Laren en doen veel samen: naar de bibliotheek, waar Jack dan zogenaamd een boek gaat halen maar eigenlijk voor de appeltaart met slagroom komt, of naar de poffertjeskraam. Nu zien ze elkaar alleen „op gepaste afstand”, in de woorden van Jack.

Etje: „Ik ben 28 januari 1945 geboren in de Eucharistiekamer van de kerk in Okkenbroek, ten oosten van Deventer. Mijn ouders waren gevlucht: ze woonden in Deventer vlakbij de spoorbrug, maar die werd na september ’44 alsmaar gebombardeerd. Ze konden 12 kilometer verderop verblijven in de jachthut van een familie op landgoed het Oostermaet. Er woonden ook een joods meisje en een moeder en dochter uit Den Haag. Als er gevaar dreigde, verstopte mijn vader het joodse meisje en zichzelf in de rododendrons. Hij was tewerkgesteld in een Duitse vliegtuigfabriek en had tekeningen van een nieuwe straaljager mee gesmokkeld.

„Ik ben om drie uur ’s ochtends geboren. Mijn vader heeft de avond ervoor, helemaal op de slee want er was heel veel sneeuw, een ondergedoken dokter gehaald in Bathmen, zeker zes kilometer verderop. Die heeft geholpen bij de bevalling. Het eerste vocht wat ik kreeg was sneeuw die op een lepel bij een kaars gesmolten was.”

Jack: „Ik heb dit verhaal een paar dagen geleden voor het eerst gehoord. Ik vond het heel indrukwekkend. Het kon zomaar dat door de Duitsers oma niet geboren kon worden. Dan was mijn moeder er niet en ik ook niet. Ook met die granaatscherf…”

Etje: „Mijn moeder is zes weken met mij in het huis van de dominee gebleven, waar achteraf ook joodse onderduikers bleken te zitten. Daarna zijn we teruggegaan naar de blokhut. Die stond vlakbij een V1-baan. Ze konden precies horen wanneer het goed ging met de raket en wanneer niet. Zo niet, dan werden het joodse meisje en ik onder de tafel gezet onder een deken om niet geraakt te worden door rondvliegende granaatscherven. Een zo’n scherf is ingeslagen op mijn hoofdkussentje, vlak naast mijn kleine hoofdje. Dat kussentje heb ik nu nog. Elk jaar op mijn verjaardag werd het verhaal verteld, met steeds meer details.”

Voor het scherm toont ze een distributiestamkaart waarmee je brandstof en schoenen kon halen. Bij hen in het oosten van het land, vertelt ze, was de situatie beter, maar in het westen lag de aanvoer van eten stil: alles was bevroren, boten konden niet varen. Kinderen waren zo ondervoed dat ze niet meer naar school konden.

Jack: „Ik zeg altijd: ik heb honger…”

Etje: „…en dan roep ik meteen: trek!”

Jack: „Ik vind het heel heftig dat je niet naar school gaat en elk moment afgevoerd kunt worden. Ook met dat joodse meisje, hoe dat ging met onderduiken, dat was… Ik weet niet of ik dat had gedaan.”

Etje: „Risicovol, bedoel jij. Zij was twee jaar ouder dan ik. Ze babbelde de hele tijd. Ze groeide op met mijn nichtje, maar moest daar weg want er kwam een NSB’er naast mijn tante wonen. Op D-day heeft mijn moeder haar opgehaald. Ze is tot het einde van de oorlog bij ons geweest. Haar ouders hebben het ook overleefd.”

Kinderen zijn nog steeds geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog, merken leraren. ‘Waah, die Adolf Hitler was echt gemeen’

Nu, zegt Jack, kun je ook niet naar school. „En je moet heel erg op je hoede zijn. Je mag niet meer met meerdere vriendjes spelen. Alles is anders. Maar ik vind het niet heel erg. Gewoon iets meer uitkijken.”

Etje: „Ik ben geïsoleerd, maar dankzij FaceTime en WhatsApp heb ik toch contact met mensen. Dat was in de oorlog echt anders: je had alleen brieven en die deden er dagen over. Nu ben ik wel alleen, maar niet eenzaam.”

Jack: „Als je in die tijd geboren bent, dan weet je niets anders dan buitenspelen.”

Etje: „Heerlijk!”

Jack: „ Mijn ouders, zonder telefoon kunnen ze niks. Zonder digibord op school kun je ook niks.”

Etje: „Mijn jeugd was heel vrij. We woonden in Goor in Twente, we aten tussen de middag warm, dan kwam mijn vader thuis. Het was heel gezellig. We konden heel lang buitenspelen.”

Jack weet niet echt hoe het voelt om níét vrij te zijn, zegt hij. „Ik voel me heel vrij.”

Etje: „En geborgen, denk ik.”

‘De NSB’ers werden uit hun grachtenhuizen gehaald en afgevoerd’

Jan Thijs Boekholt (81) had een „ingetogen jeugd”, zegt hij zelf. Enig kind, weinig kinderen in de buurt om mee te spelen. Daarom is hij zo blij dat hij drie kinderen kreeg en zeven kleinkinderen, waar Mijke (12) er een van is. Zij woont in Amersfoort en hij in Twello. Mijke luistert graag naar zijn verhalen.

Jan Thijs Boekholt en kleindochter Mijke. Jan Thijs: „Ik heb twee bombardementen meegemaakt.”

Foto Lars van den Brink

Jan Thijs: „In de oorlogstijd was je veel thuis, net als nu in quarantaine. Wij woonden op de Prinsengracht in Amsterdam boven mijn vaders wijnhandel. ’s Avonds werden de ramen verduisterd met zwart papier zodat de bommenwerpers de stad niet als doelwit zouden zien.

„Nu kun je zeggen wat je wilt. Als ik het niet met Rutte eens zou zijn, mag ik zelfs zeggen dat hij een klootzak of een lul is” – een glimlach van Mijke – „toen riskeerde je gevangenis- of zelfs de doodstraf. Dat betekent dat mensen een continue angst voelden. Die kwam tot uiting als de Duitsers bij ons in de zaak drank kwamen stelen, confisqueren heette dat. Mijn moeder was, als ze de drank aan het inladen waren, heel bang dat mijn vader iets zou overkomen.”

Mijke: „Waar was jij het meest bang voor? Dat je in bed lag en niet kon slapen ervan?”

Jan Thijs: „Aan mij is de angst behoorlijk voorbijgegaan. Om eens wat te noemen: Bij mijn grootvader in Hollandsche Rading oefenden geregeld Duitse troepen, dan zaten ze in de voortuin hurkend met een geweer en schoten met losse flodders op elkaar. Ik vond dat wel interessant. Maar ik herinner me ook dat de Duitsers mijn grootvader dwongen schuttersputjes te graven. Mijn moeder was bang dat hij daartegen zou protesteren.”

Mijke heeft Het Parool van mei 1945 bemachtigd

Mijke: „Wat kun je je nog herinneren van bombardementen enzo?”

Jan Thijs: „Ik heb twee bombardementen meegemaakt. Bij het eerste, op Soesterberg, waren we niet in gevaar. Ik heb er vanaf de zolder in Hollandsche Rading naar gekeken, het zag eruit als interessant vuurwerk. Het tweede was door de geallieerden op het bevolkingsregister in Amsterdam. Ik was aan het wandelen met mijn buurman, het was een kilometer verderop. Dat was een angstig moment. Ik heb hier staan schuilen” – en hij houdt voor het scherm een prent omhoog van mannen die naar een zeppelin wijzen. „Dat schilderij is van Carel Willink, die woonde in de buurt. Hij heeft het voor de oorlog geschilderd, omdat hij de dreiging voelde. De mannen die erop staan zijn net zo gekleed als mijn vader, met regenjassen en een gleufhoed. En dit is het portiek waar ik schuilde.”

Mijke heeft ook spulletjes die ze wil laten zien. Hier, een mapje met gekleurde briefjes. „Echte bonnen, gekregen van opa en oma, daar ben ik heel zuinig mee.” En hier, een pamflet waarop staat ‘het vijfde zwijn’, die je zo kunt opvouwen dat je het gezicht van Hitler ziet. „En hier ben ik het meest trots op. Het Parool van 1, 2, 3, 4 en 5 mei. Er staat: ‘Nazi-Duitschland stort roemloos ineen’. Het origineel, gevonden via Marktplaats.”

Jan Thijs vertelt hoe Duitsers terwijl ze door de gracht voeren op eenden schoten, waardoor de kogels alle kanten op vlogen. Hoe hij opeens een enorme zandbak voor de deur kreeg om in te spelen, nadat de in teer gedrenkte kopse houten blokjes waarmee de straat geplaveid was, waren gestolen – ze waren gelegd om het geluid van paard- en wagens te dempen, maar deden het ook goed als brandhout. En hoe zijn moeder door Duitse militairen gecomplimenteerd werd met haar „Arische baby” omdat hij zo’n „blonde kaaskop met blauwe ogen” was. „Mijn moeder vond dat verschrikkelijk.”

En Mijke zit vol vragen. „Wat bij de bevrijding heeft de meeste indruk op jou gemaakt?”

Twee dingen, zegt Jan Thijs. Bijltjesdag: er werden NSB’ers uit hun grachtenhuizen gehaald en afgevoerd. „Ik vond dat heel naar. Ik dacht niet: rotduitsers.” Het andere is vrolijker: Bevrijdingsdag zelf. Hij gekleed in zwartfluwelen broek, witte blouse, oranje sjerp. De geallieerden die sigaretten en snoep de menigte in gooiden. Maar: „De grote kinderen pikten tot mijn verdriet al het snoep voor mijn neus weg.”

Meer gesprekken tussen grootouders en kleinkinderen vind je deze week op start.verus.nl, een platform met dagopeningen voor scholen van Verus, de koepel van bijzonder schoolbesturen.

75 JAAR BEVRIJDING. Hoe vertel je 75 jaar na dato het verhaal van de Tweede Wereldoorlog – in musea, in de klas en in boeken? Wat herdenken we eigenlijk nog op 4 mei? En hoe wordt er teruggekeken op de bezetting in Duitsland en andere landen?