Opinie

Onderweg naar de sterren

Frits Abrahams

Tralievader, het in 1991 verschenen debuut van Carl Friedman, hoort tot de canon van de Nederlandse literatuur over de Tweede Wereldoorlog. Terecht, want het is net als Het bittere kruid van Marga Minco, een sober gestileerd, indrukwekkend boek – gering van omvang, maar niet van inhoud.

Het gaat over een gezin met drie opgroeiende kinderen dat moet leven met een vader, die getraumatiseerd is teruggekeerd uit een Duits concentratiekamp. Veel van dergelijke vaders deden er het zwijgen toe, niet deze vader. Ongevraagd confronteert hij zijn gezin voortdurend met zijn ervaringen. Het vervult zijn dochter met veel mededogen, maar zijn oudste zoon, Max, kan het niet meer verdragen en rebelleert: „Het kamp zus, het kamp zo, altijd het kamp. Was er verdomme maar gebleven!”

Het boek bleek, zoals Friedman in een interview beaamde, sterk autobiografisch. Haar vader was een verzetsman in Brabant geweest en na zijn arrestatie naar concentratiekamp Sachsenhausen gedeporteerd. Alsof de feiten nog niet erg genoeg waren, voedde Friedman in de jaren na haar debuut de speculatie dat het om een Joods gezin ging. Dat kwam haar duur te staan toen het AD in 2005 onthulde dat het een katholiek gezin uit Eindhoven was.

Haar literaire reputatie was beschadigd en ze verdween naar de achtergrond. Drie boeken had ze toen gepubliceerd: na Tralievader nog Twee koffers vol (1993) en De grauwe minnaar (1996). In 2001 en 2004 volgden nog twee columnbundels – voor Trouw en Vrij Nederland schreef ze uitstekende columns. Daarbij bleef het.

De voor de hand liggende mythe ontstond dat de onthulling in het AD een writer’s block had veroorzaakt, maar de feiten spreken dat tegen. Tussen 1996 en 2005, het jaar van die onthulling, had ze al vrijwel geen fictie meer gepubliceerd. Toch schreef ze nog volop: duizenden lange, bevlogen brieven aan vrienden, naast die wekelijkse columns. Ze heeft mij ook delen van een nieuwe roman laten lezen, maar ze liep er steeds weer in vast.

De creatieve bron – die moeilijke jeugd – was opgedroogd en fantasie was niet haar grootste kracht. Ze zou de schrijver blijven van een klein, maar hecht oeuvre.

Na haar recente dood heb ik haar boeken herlezen. Wat me daarbij opviel was dat Tralievader een soort vervolg heeft gekregen in het laatste door haar gepubliceerde verhaal: ‘Stilstaan bij Bette’ uit De grauwe minnaar. Het gaat onmiskenbaar over het gezin uit Tralievader. De vader is nu dood, maar de opstandige oudste zoon leeft nog en is een harde crisismanager geworden. Ook de moeder leeft nog – maar niet lang meer. Ze is stervende in haar Belgische huis en krijgt daarbij hulp van haar jongste zoon en haar dochter, in wie ik Carl herkende.

Het is een sublieme novelle over sterven, voor mij het beste dat ze geschreven heeft. Het eindigt bij de dochter die het telefoonnummer van haar gestorven moeder draait.

„Tuut. Tuut. Tuut. Het is het eenzaamste geluid in de hele wereld, vanavond. Het verscheurt de stilte waarmee het ouderlijke huis is verzegeld. Het verschaft zich toegang tot de verlaten kamers. Het jaagt over het afgehaalde bed en het ketst tegen de neergelaten blinden waarachter de tuin verwildert. Maar het kan Bette niet meer bereiken. Die is onderweg naar de sterren, waar ze eens voor anker zal gaan.”