Als de scholen weer opengaan, wordt het mogelijk een rommeltje

Kinderopvang Volgende week gaan de basisscholen weer open. Maar tussen veel scholen en de kinderopvang is nog niets afgesproken, zeggen brancheorganisaties.

Naschoolse opvang voor kinderen van ouders met een vitaal beroep tijdens de coronacrisis.
Naschoolse opvang voor kinderen van ouders met een vitaal beroep tijdens de coronacrisis. Foto Jeroen Jumelet/ANP

Neem bijvoorbeeld een gezin met twee kinderen. Een kind mag op donderdag en vrijdag naar school en de naschoolse opvang, de ander is op maandag en dinsdag welkom op het kinderdagverblijf. „Dat betekent dat je alsnog iedere dag een kind thuis hebt, nog steeds niet optimaal kunt werken en ook nog heen en weer moet rijden naar de opvang”, zegt Emmeline Bijlsma, voorzitter van de Brancheorganisatie Kinderopvang.

Bijlsma vreest dat het een rommelig begin wordt als de scholen en kinderopvang maandag 11 mei weer open gaan. „Al direct na de persconferentie over het opengaan van de scholen zagen we het probleem. Een goede samenwerking tussen basisscholen en kinderopvangcentra is noodzakelijk om de eerste stap uit de lockdown goed te laten verlopen. Maar scholen zoeken die samenwerking niet op.”

Bijna de helft van de scholen blijkt geen contact te hebben gezocht met de naschoolse opvang om roosters af te stemmen, ondanks de dringende oproep van minister Arie Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs, ChristenUnie) en de PO-Raad (koepelorganisatie van basisschoolbesturen). Dat blijkt uit een rondgang van de brancheorganisaties langs 44 kinderopvangcentra, die volgens Branchevereniging Kinderopvang representatief zijn voor de hele sector.

Brancheorganisaties vrezen dat de situatie voor de buitenschoolse opvang (bso’s) onhoudbaar wordt wanneer scholen op 11 mei opengaan zonder de roosters met de opvangcentra te hebben afgestemd. „Sommige bso’s halen kinderen van tien tot vijftien scholen op. Dat is een enorme puzzel van medewerkers, vervoermiddelen en kinderen die overhoop moet worden gegooid,” zegt Bijlsma. „Tegelijkertijd hebben we minder medewerkers, want er zijn mensen ziek. Met weinig informatie vanuit scholen is die puzzel simpelweg niet meer te maken. Dan bestaat het risico dat fouten worden gemaakt en dat kinderen worden achtergelaten op schoolpleinen.” Ook worden niet bij alle scholen de kinderen al na een halve dag opgehaald en naar de bso gebracht; normaalgesproken begint de bso pas na een hele schooldag.

Richtlijnen, geen eisen

In het Tweede Kamerdebat afgelopen woensdag sprak minister Slob zich streng uit: geen afspraken betekent het risico dat er niet voor alle kinderen een plek is op de opvang. Een paar dagen na de persconferentie van 21 april werd vanuit het ministerie van Onderwijs al aangedrongen op hele dagen onderwijs om het heen en weer rijden van ouders te beperken en de opvangcentra de kans te geven goede roosters te maken.

Woensdag benadrukte Slob nogmaals dat scholen in principe de door de PO-Raad en bonden vastgestelde protocollen moeten aanhouden, waarin wordt uitgegaan van volledige dagen onderwijs en geen halve dagen.

Harde eisen wilde Slob echter niet stellen; de protocollen zijn slechts richtlijnen. Hij wil voorkomen dat „van bovenaf een blauwdruk wordt opgelegd” en wil scholen „professionele ruimte geven”. Je moet niet alles vanuit Den Haag willen regelen, blijft zijn verweer. Het lukte de Tweede Kamerleden Rudmer Heerema (VVD) en Peter Kwint (SP) niet om hem tot bindende regels te verleiden. De protocollen blijven niet meer dan een uitgangspunt waarin scholen „bso en ouders moeten meenemen”.

Maar deze vrijheid voor basisscholen zorgt voor frictie tussen scholen en opvangcentra, stellen de brancheorganisaties. „We hebben vorige week al alarm geslagen omdat we zagen dat scholen tegen de richtlijnen in toch halve dagen onderwijs gingen aanbieden,” zegt Gjalt Jellesma van BOink, de belangenvereniging van ouders in de kinderopvang.

„Het is een substantieel aantal scholen. Zolang hele dagen niet als harde eis wordt gesteld, gaat het alle kanten op. We zijn er erg ongelukkig over: scholen brengen ouders en bso’s in de problemen en gaan voorbij aan de RIVM-richtlijn wat betreft vervoersbewegingen.”

Geen onwil

Rinda den Besten, voorzitter van de PO-Raad, bestrijdt dat scholen niet goed zouden communiceren. „Het is mijn stellige indruk dat het aantal scholen waar het niet goed loopt maar een klein percentage is.” Ook is het volgens haar „verre van onwil of een gebrek in communicatie. In deze periode krijg je het gewoon even niet geregeld zoals het was.” Den Besten vindt verder dat het „geen pas” geeft dat de brancheorganisaties voor kinderopvang „lelijk spreken” over de scholen. „Dat vind ik niet verstandig, we moeten het met elkaar oplossen.”

De brancheorganisaties wilden uiterlijk een week voor het opengaan van de scholen duidelijkheid en betreuren het dat de PO-Raad geen harde afspraken wil maken. „We adviseren onze leden om uiterlijk een week voor opening zelf afspraken te maken met scholen”, zegt Bijlsma. „Als je dat dan nog niet hebt gedaan kun je bijna niet anders dan terugvallen op je reguliere model – de opvanguren zoals in het contract met de ouders staan vermeld. Op een gegeven moment moet je een keuze maken om ouders duidelijkheid te geven.”