Opinie

Het herdenken moet anders

Tweede generatie Kinderen van oorlogsgetroffenen zeulen vaak de trauma’s van hun ouders met zich mee. „Wees trots op de keuzes die je zelf maakt”, zegt tegen . Een dialoog via e-mail over de stelling: ‘De tweede generatie is nooit bevrijd’, onder leiding van redacteur
Foto Nationaal Archief

Beiden zijn via de lotgevallen van hun ouders verbonden met de Tweede Wereldoorlog. De vader van Melcher de Wind, Eddy de Wind, overleefde het nazi-vernietigingskamp Auschwitz, waar hij het aangrijpende boek Eindstation Auschwitz over schreef. Zijn zoon heeft dat boek nu opnieuw uitgebracht. De vader van Mieke Eerkens was getraumatiseerd door het jappenkamp in Nederlands-Indië. Haar moeder was dochter van ‘foute’ ouders en ging gebukt onder schuldgevoel. Eerkens groeide op in de VS, waar haar ouders tevergeefs aan het verleden wilden ontkomen. In De oorlog van horen zwijgen onderzocht Eerkens het verleden van haar ouders. Ze eindigt haar boek met de zin: „Het is tijd om te praten.”

ME: Ik denk dat erover praten zeker de kern is van onze beide pogingen om het oorlogstrauma te verwerken dat onze ouders hebben overgedragen. Ik ben opgegroeid in Los Angeles, met een vader die als kind in een Japans kamp zat, en een moeder die na de oorlog naar bijzondere jeugdzorg ging omdat haar NSB-ouders waren geïnterneerd.

We spraken thuis niet over deze dingen, maar ik voelde ze intens in de angst en schaamte die ik van hen meekreeg. Ik voel me gedwongen te begrijpen waar mijn overgeërfde trauma en bijbehorend gedrag vandaan komen. En ik voel een verantwoordelijkheid om een stem te zijn voor mijn eigen ouders, zodat onze generatie dezelfde fouten kan vermijden.

Ik las dat het boek van je vader niet veel reacties kreeg toen het na de oorlog voor het eerst werd gepubliceerd. Waarom denk je dat onze tweede generatie die urgentie voelt om te praten en dit oorlogstrauma juist wil onderzoeken, terwijl de generatie van onze ouders gedwongen leek het trauma te begraven in het verleden?

MdW: Je hebt gelijk dat we een verleden delen, allebei getekend door wat onze ouders in de oorlog hebben meegemaakt. Al is jouw achtergrond anders dan die van mij. Mijn moeder kwam uit een verzetsgezin, mijn Joodse vader had Auschwitz overleefd. Wel worden we allebei ‘tweede generatie slachtoffers’ genoemd. Ik word niet gelukkig van die benaming; goed bedoeld, maar ook een nogal stigmatiserend containerbegrip. Het suggereert dat onze problemen dezelfde zijn als die van onze ouders, maar dan net iets minder erg. Dat laatste klopt overigens wel, dat eerste volgens mij niet.

Mijn vader vergeleek de oorlogsslachtoffers ooit met een olietanker die in een heftige orkaan in tweeën is gebroken. De olie spoelt naar de kusten die ernstig vervuild worden. Wij zijn de kusten en wij mogen de rommel opruimen, ons bevrijden van de taaie derrie die de oorlog heeft achtergelaten.

Wellicht kunnen we onszelf traumaruimers gaan noemen? Die naam biedt wat meer perspectief.

Overigens twijfelde mijn vader aan het einde van zijn leven of hij er goed aan had gedaan dat hij na de oorlog niet naar de VS was geëmigreerd. Wellicht had het verleden hem daar minder achtervolgd en had hij zijn trauma beter kunnen loslaten. Wat denk jij?

ME: Ik geloof niet dat jouw vader aan zijn oorlogstrauma zou zijn ontsnapt door te emigreren. Hij zou het misschien hebben onderdrukt, maar het zou op andere manieren zijn teruggekomen. Ik ben het ermee eens dat onze problemen van de tweede generatie niet dezelfde zijn als die van onze ouders, die tastbare dingen hebben meegemaakt zoals honger, wreedheid en internering.

Maar voor elk gevoelig kind, denk ik, dat een deel van het overgeërfde trauma precies in die beperkte ruimte zit van niet de herinneringen zelf te hebben, maar om toch de traumarespons via je ouders te voelen en te leren. Ik schrijf in mijn boek: „We tasten in het duister naar herinneringen die we niet hebben.”

Voor mij betekende dit dat mijn vader me leerde bang te zijn dat we op elk moment alles konden verliezen, of dat mijn moeder me leerde om niets te zeggen dat vreemden boos kon maken. Terwijl ik geen idee had wat precies de oorzaak was van deze aangeleerde angsten.

Daarom wilde ik de verhalen van mijn ouders onderzoeken. Het was verbazingwekkend om te zien dat specifieke dingen rechtstreeks verband hielden met oorlogsverhalen die ze vertelden.

Ik wist bijvoorbeeld niet dat de diepere reden waarom mijn vader ons kurken in ons huis liet verzamelen, was dat hij verbrande kurken in het kamp gebruikte om mee te schrijven. Het was alsof opeens puzzelstukjes op hun plaats vielen. Misschien is dat niet zo voor jou geweest omdat jouw vaders boek al zo veel beschreef en je de verhalen kon lezen?

MdW: Ik was achttien toen ik het boek van mijn vader voor het eerst las. Doodsbang was ik, dat de gruwelijkheden me teveel zouden aangrijpen, maar dat viel reuze mee. Sterker nog, het lezen luchtte me op.

Blijkbaar zijn de fantasieën die je als kind hebt nog erger dan het ware verhaal.

Blijkbaar zijn de fantasieën die je als kind hebt nog erger dan het ware verhaal. Wat me vooral raakte, is dat mijn vader ondanks alles zo optimistisch blijft. Het hele boek door voel je dat het hoop en liefde zijn die hem overeind houden. Hoop op een betere wereld en liefde voor zijn vrouw, die met hem in Auschwitz zat. Ik ben mijn vader dan ook dankbaar voor het boek. Het heeft me enorm geholpen om alles een plek te geven en tot ‘menselijke’ proporties terug te brengen.

Ik begrijp dan ook heel goed dat je de behoefte voelde om het verleden uit te zoeken en op te schrijven. Om het aan de wereld te vertellen, maar vooral aan jezelf. Mijn vader had me overigens al veel verteld. Vaak in korte verhalen; losse anekdotes waar ik hele fantasieën omheen bouwde. Hij was als psychiater gespecialiseerd in oorlogstrauma’s. De oorlog kleefde als het ware aan hem en blijkbaar had hij het nodig om zijn herinneringen een plaats te geven door er mij over te vertellen.

Een van de vragen die me het meest gesteld worden, is wanneer ik voor het eerst over Auschwitz hoorde, maar er was geen eerste keer. Auschwitz was er altijd, als een ziek surrogaat voor de familie die er niet meer was. Je schrijft over het ‘overgeërfde trauma’. Dat fascineert me. Wat is dat precies en hoe werkt dat?

ME: Deze term, ‘overgeërfd trauma’, wordt in de Verenigde Staten gebruikt. Ik denk dat het een erg nuttige term is om te verwoorden hoe sommige kinderen van overlevenden het ervaren, onbewust en doorgegeven via familie.

Ik denk aan de term op zowel psychologisch als fysiek niveau. In termen van de fysieke ‘overerving’ van trauma, bespreek ik in mijn boek epigenetica, een controversieel wetenschapsgebied waar wordt getheoretiseerd dat genetisch materiaal dat aan nakomelingen wordt doorgegeven, permanent kan worden veranderd door trauma.

Zo is er na zes decennia onderzoek gedaan bij kinderen van overlevenden van de hongerwinter om te zien of hun erfelijk materiaal was veranderd (DNA-methylering). Het veld is nog nieuw en controversieel, maar ik ben gefascineerd door de hypothese. Het wordt vaak besproken in verband met oorlogstrauma.

Ik denk zelf ook aan dit woord ‘overerving’ in termen van mijn erfenis. Mensen zijn er trots op dat ze afstammen van een opmerkelijke voorouder.

Ik ben opgegroeid in een gemeenschap met veel Joden en ik schaamde me zo voor mijn NSB-erfenis met mijn Joodse vrienden. Het was een geheim dat ik verborg.

Je zegt dat Auschwitz altijd deel uitmaakte van jou en je familie. Dat trauma zou net zo goed deel uitmaken van je bagage als al het andere dat van de ene generatie op de andere is overgedragen. Voel je deze familiegeschiedenis niet als een erfenis, figuurlijk of letterlijk?

MdW: Het voelt als een erfenis, of misschien nog wel meer als een verantwoordelijkheid. Maar ik ben ook bang voor het label dat het met zich meebrengt. Ischa Meijer zei het al: Auschwitz staat op één in de hiërarchie van het lijden. ‘Leedadel’ noemde hij het. Jij schaamde je voor je NSB-erfenis. Alsof je kiest voor de erfenis die je krijgt toegeworpen. Schaam je niet maar wees trots op de keuzes die je zelf maakt.

Ik durfde vroeger amper te vertellen dat mijn vader in Auschwitz had gezeten. Niet omdat ik me schaamde, maar omdat vrijwel elk gesprek na het noemen van de naam Auschwitz doodsloeg. Zoveel lijden, daar kunnen de meesten niet mee omgaan.

Hoe mooi zou het zijn als we bij deze herdenking, 75 jaar na de bevrijding, eindelijk een streep kunnen trekken onder dit soort stigmatiseringen?

Door corona herdenken we dit jaar anders, in ons eigen huis. Een mooi moment om de manier waarop we herdenken te herijken. Als kind meende ik dat herdenken vooral bedoeld was om eer te betonen aan hen die waren overleden, hadden geleden dan wel voor ons hadden gestreden.

Mijn vader leerde me echter al dat ‘herdenken is denken is doen’, met de nadruk op dat laatste. Oftewel, herdenken heeft alleen nut als je nadenkt over wat het verleden nu voor je betekent. Hoe sta je zelf in de wereld? Wat kan je leren van datgene dat je herdenkt? En hoe kan je het vervolgens zelf beter doen? Laten we dat virtueel zij aan zij doen, nakomelingen van NSB’ers, Auschwitz enzovoorts. Ik herdenk graag met je samen.

ME: Dat vind ik een heel mooie en ontroerende boodschap, Melcher. Ik wil graag geloven dat we allebei onze ouders recht doen . Herinneren en praten is de enige manier om te voorkomen dat mensen terugvallen in dezelfde patronen. Voor mij is de coronavirus-isolatie tijdens 4 en 5 mei dit jaar een interessant gevoel. Het grootste deel van mijn leven heb ik al mijn herdenkingen in isolatie gedaan, in Amerika.

Ik ben omringd door een gemeenschap. Misschien kunnen we het dit jaar zien als een lang moment van stilte.

Toen ik een paar jaar geleden naar Amsterdam verhuisde, kreeg ik eindelijk de kans om naar de Dam te lopen en dat verbluffende moment van stilte te ervaren met duizenden andere mensen, waaronder oude veteranen en overlevenden. Het was zo indrukwekkend dat ik mijn tranen niet kon inhouden. Ik denk dat het gevoel op dat moment vergelijkbaar was met die van mijn meestal stoïcijnse vader.

Hij brak in tranen uit toen hij naar een van mijn lezingen in de VS kwam en het publiek graag zijn verhaal wilde horen, achteraf tijdens de vraag- en antwoord-sessie. Dat kwam door het gevoel dat er eindelijk mensen waren die hem echt zagen, het gevoel dat hij niet meer alleen was. De aandacht ervoor.

Dit jaar ben ik weer solo aan het herdenken, maar zeker niet alleen. Ik ben omringd door een gemeenschap. Misschien kunnen we het dit jaar zien als een lang moment van stilte. Ik herdenk ook graag met jou.

MdW: Dat zijn mooie woorden, en wat fijn dat het gezamenlijk herdenken je zo’n goed gevoel geeft. Ik herinner me de massale herdenkingen uit mijn jeugd als droevige bijeenkomsten waarvan mijn ouders – en dan met name mijn vader – heftig van slag raakten. De emoties waren te groot. Zo groot dat ik ze niet eens durfde te voelen.

Liever herdenk ik dan ook thuis, op mijn eigen manier en het allerliefste op een moment dat ik zelf uitkies. Nog altijd vind ik herdenkingen ingewikkelde bijeenkomsten waarin ik samen met mij onbekende mensen twee minuten moet zwijgen om aan datgene te denken dat ik onder de oppervlakte toch altijd al met me meedraag. Toen een paar jaar geleden de Damschreeuwer de Nationale Herdenking verstoorde vond ik dat een welkome afleiding.

Ongetwijfeld speelt mee dat mijn vader zich nooit echt bevrijd heeft gevoeld. Het trauma was te groot en de pijn van de kille ontvangst bij terugkomst in Nederland heeft hem wellicht nooit verlaten.

Dat Eindstation Auschwitz nu, na twee eerdere mislukte pogingen zo’n succes is, voelt als een erkenning van mijn vader en zeker ook een eerbetoon aan hem. Het begeleiden van de heruitgave heb ik dan ook als bijzonder helend ervaren. Wellicht zou het me de ruimte geven om me dit jaar voor het eerst over te geven aan het gezamenlijk herdenken. Wellicht, want vooralsnog voelt het idee van een verstilde coronaherdenking best weldadig aan.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.