Analyse

Grootse herdenking werd soberste ooit

Nationale Herdenking Koning Willem-Alexander waarschuwde in zijn toespraak voor wegkijken en „niet ‘normaal’ te maken wat niet normaal is”.

Koning Willem-Alexander en koningin Maxima leggen een krans tijdens de Nationale Dodenherdenking op de Dam.
Koning Willem-Alexander en koningin Maxima leggen een krans tijdens de Nationale Dodenherdenking op de Dam. Foto Mischa Schoemaker

Het had, 75 jaar na de bevrijding, een grootse herdenking moeten worden. Het was de meest sobere ooit. Maar ook een die door de krachtige en deels persoonlijke toespraak van koning Willem-Alexander, die al voor de coronapandemie uitbrak had afgesproken deze avond te spreken, een bijzondere lading kreeg.

De koning tijdens zijn toespraak op het lege plein. Foto Patrick van Emst

Op een lege Dam in Amsterdam had de koning het over wegkijken, over collectieve schuld én over de verantwoordelijkheid ook in het heden „niet ‘normaal’ [te] maken wat niet normaal is”. „Sobibor begon in het Vondelpark”, waarschuwde hij.

Het was de eerste keer dat een staatshoofd sprak tijdens de Nationale Dodenherdenking. De overlevenden, de laatste ooggetuigen van die vijf oorlogsjaren, hadden voor hem moeten staan, terwijl hij die woorden sprak. Ze waren wegens de coronamaatregelen thuis. Maar rondkijkend alsof zij en de gebruikelijke duizenden toeschouwers er wel waren, erkende Willem-Alexander dat ook het toenmalige staatshoofd, zijn overgrootmoeder koningin Wilhelmina, tekort was geschoten in de oorlog.

In haar toespraken vanuit Londen via Radio Oranje verzette ze zich in vurige bewoordingen tegen de nazi’s, maar over de Jodenvervolging sprak ze nauwelijks. Willem-Alexander zei daarover: „Medemensen, medeburgers in nood, voelden zich in de steek gelaten, onvoldoende gehoord, onvoldoende gesteund, al was het maar met woorden. Ook vanuit Londen, ook door mijn overgrootmoeder, toch standvastig en fel in haar verzet. Het is iets dat me niet loslaat.” Niet eerder liet een van Wilhelmina’s opvolgers zich zo duidelijk uit over haar rol.

Lees ook: 'Wilhelmina liet het afweten'

De koning sprak namens een nieuwe generatie, die de oorlog niet heeft meegemaakt. Maar hij zei: „75 jaar na onze bevrijding zit de oorlog nog steeds in ons.” En: „Het minste wat we kunnen doen is: niet wegkijken. Niet goedpraten. Niet uitwissen. Niet apart zetten.”

De Dam vlak voor de Nationale Dodenherdenking. Foto Patrick van Emst

Eerder op de avond had ook schrijver Arnon Grunberg, die in een lege Nieuwe Kerk de 4 mei-lezing hield, een zelfde appèl gedaan aan ieder, en in het bijzonder politici, zich uit te spreken tegen het uitsluiten van mensen om wie zij zijn.

Hij citeerde Primo Levi, Auschwitz-overlevende: „Ik kan niet begrijpen, niet verdragen, dat men een mens niet beoordeelt naar wat hij is, maar naar de groep waar hij toevallig toe behoort.” Volgens Grunberg hebben Kamerleden en ministers „een speciale verantwoordelijkheid” om „het woord géén gif te laten zijn, om altijd voor ogen te houden dat de staat noodzakelijk is, maar tevens een potentieel kwaad dat met achteloze vanzelfsprekendheid mensen, bevolkingsgroepen kan vermorzelen.”

Publiek op het Rokin dat op enkele honderden meters afstand werd gehouden van de Dam. Foto Olivier Middendorp

Opvallend was verder de inleidende tekst van de Nationale Herdenking. In de introductie zei de ceremoniemeester: „Alle herinneringen daaraan komen samen tijdens de Nationale Herdenking. Daarbij realiseren wij ons dat bij gewapende conflicten tot op de dag van vandaag onschuldige slachtoffers vallen.” De laatste zin is een „nieuwe toevoeging”, aldus de woordvoerder van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.

Lees ook het commentaar van NRC over herdenken en vieren