Waarom zouden we de Tweede Wereldoorlog niet mogen vergelijken met de coronacrisis?

75 jaar bevrijding

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei heeft liever niet dat de coronacrisis wordt vergeleken met de oorlog. Waarom niet, vraagt zich af. Veel Nederlanders hebben juist door deze crisis meer waardering voor de vrijheid dan in andere jaren.
Illustratie Lynne Brouwer

Het voorpagina-artikel van verzetskrant Trouw had op 5 mei 1945 een simpele kop: ‘VRIJ!’ Hieronder stond een dichterlijk artikel, met zinnen als: „De heerscher van gisteren is geworden wat beter bij hem past, wat beter voor hem is, de overwonnene van vandaag.”

Ironisch genoeg zitten we er precies 75 jaar later, op de dag dat we driekwart eeuw vrijheid vieren, nogal ingesnoerd bij. Naar het café gaan kan niet, in knusse groepjes buiten hangen ook niet, en een uitje naar IKEA geldt ineens als subversief.

Parallellen met de oorlog verspreidden zich de afgelopen weken als een virus door de media. Eind maart al stelde historicus Joost Rosendaal in dagblad de Gelderlander dat de coronacrisis best met de oorlog vergeleken kan worden: in beide gevallen overheerst(e) onzekerheid het dagelijks bestaan. In een artikel in het AD over corona en de oorlog zei historica Ismee Tames vorige maand iets soortgelijks: „In de openbare ruimte mogen we niet gaan en staan waar we willen, we weten niet hoe lang de maatregelen duren en hoe dit verder gaat.”

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei sloeg het met argusogen gade. Op de website maant het ons „voorzichtig” te zijn „met het maken van directe vergelijkingen tussen de Tweede Wereldoorlog en de coronacrisis”. Daarmee bedoelt het comité waarschijnlijk: doe gewoon maar niet.

Maar waarom eigenlijk niet? ‘Vergelijken met’ is iets anders dan ‘gelijkstellen aan’: een goede vergelijking laat juist ook zien wat de verschillen zijn. Zoals ik het een man op straat hoorde samenvatten: „In de oorlog mocht je tijdens spertijd ook niet naar buiten. Maar toen werd je doodgeschoten als je het wel deed.”

Laten we eens een andere vergelijking maken tussen toen en nu. Wat betekende vrijheid destijds voor Nederlanders – en wat betekent het nu?

Over dat eerste was Trouw op 5 mei 1945 duidelijk. „Vrijheid is vandaag, dat we weer menschen zijn, gewone menschen, die zichzelf mogen zijn, niet meer geremd door wat ons vijf jaren lang in een keurslijf dwong, schichtig deed zijn en ons den weg van bloedig verzet opjoeg.”

Vrijheid was vooral: je in de publieke ruimte kunnen bewegen zonder bang te hoeven zijn. In de jaren daarop werd vrijheid gedefinieerd als afwezigheid van dwang en onderdrukking – negatieve vrijheid, zoals de politiek filosoof Isaiah Berlin het noemde. Logisch, zo vlak na de bezetting en nog midden in de Koude Oorlog met de totalitaire Sovjet-Unie.

Tegelijk was vrijheid in 1945 ook een heleboel nog niet, en dat is waar de vergelijking met onze tijd interessant wordt.

Vrijheid betekende in 1945 niet: onafhankelijk zijn van de charitas van familie en verzuilde organisaties. Pas na de oorlog werd de verzorgingsstaat zoals we die kennen opgebouwd: elke burger met pech kon vanaf toen bij de staat een uitkering aanvragen. Dit betekende dat het individu uit de groep werd opgetild en dezelfde rechten kreeg als alle andere burgers – ongekend in de geschiedenis.

Vrijheid betekende in 1945 niet: zelf kunnen kiezen wat je wordt, los van het beroep en de sociaal-economische positie van je ouders. Die vrijheid ontstond pas eind jaren zestig, toen grote groepen jongeren uit lagere klassen gingen studeren. De Mammoetwet uit 1968 maakte verder een einde aan de maatschappelijke predestinatie van schoolkinderen: brugklassen en scholengemeenschappen maakten het leerlingen makkelijker om op basis van hun prestaties hogerop te komen.

Vrijheid betekende in 1945 niet: veel vrije tijd hebben. Pas in 1960 werd de vijfdaagse werkweek ingevoerd, daarvoor werkte men nog op zaterdag. Deze ‘men’ bestond vooral uit mannen, die in 1960 ruim 70 procent van de beroepsbevolking uitmaakten. De meerderheid van de vrouwen was nog de hele dag bezig met koken, schoonmaken en de was doen.

Dat laatste, tegenwoordig een druk op de knop, was destijds gemakkelijk een dagtaak: denk aan alle outfits, luiers en maandverband die grote gezinnen er wekelijks doorheen joegen. Toen midden jaren zestig steeds meer gezinnen een (semi)automatische wasmachine kregen, was er ook voor vrouwen iets meer vrije tijd.

Vrijheid betekende in 1945 niet: zorgeloos seks kunnen hebben. Pas met de komst van de anticonceptiepil in 1964 werd seks losgekoppeld van voortplanting, waardoor het ineens een optie werd om geen kinderen te nemen, of maar één in plaats van een heleboel. Daar bovenop volgde in 1984 de legalisering van abortus, waardoor de vrouw officieel ‘baas in eigen buik’ werd.

Vrijheid betekende in 1945 niet: kunnen zijn wie je bent ongeacht je geslacht of geaardheid. De homo-emancipatie, begonnen in de jaren zestig, leidde pas in 2001 tot het homohuwelijk. Niet voor niets functioneert de jaarlijkse Gay Pride als een soort tweede Bevrijdingsdag: toeschouwers van de Amsterdamse botenparade noemen bijna zonder uitzondering ‘de vrijheid om jezelf te zijn’ als kern van het feest.

Vrijheid betekende in 1945 niet: de mogelijkheid tot zelfexpressie en vrije meningsuiting op het internet. Dit is bijna niet meer voor te stellen, maar wie vóór pakweg 1995 zijn mening openbaar wilde maken, moest een stuk naar de krant sturen, een handtekeningenactie starten, protestborden maken of met een graffitispuit losgaan op viaducten.

Deze (incomplete) opsomming laat zien dat de vrijheid die wij op 5 mei vieren, niet meer dezelfde is als die in 1945. Bovenop de basisvrijheden kwam in driekwart eeuw een gigantisch uitbreidingspakket. Met andere woorden: de door corona in zijn huis teruggedreven en dus enigszins onvrije mens heeft nog steeds veel meer vrijheden dan zijn pas bevrijde voorouder uit 1945. Ook al mag hij allerlei dingen tijdelijk niet, hij is nog steeds een vrij mens in alle zojuist beschreven opzichten.

Wat opvalt aan de nieuwe vormen van vrijheid is dat ze bijna allemaal draaien om persoonlijke autonomie, of zoals Isaiah Berlin het noemde: positieve vrijheid. Deze onderscheidde hij van de eerder genoemde negatieve vrijheid, die vlak na de oorlog nog centraal stond. Bij positieve vrijheid gaat het niet om vrijwaring van, maar om vrijheid tot: de vrijheid om je te ontplooien.

Vraag je aan de Nederlanders van nu waarmee zij vrijheid associëren, dan noemen ze vooral vormen van positieve vrijheid, zo constateerde het SCP eind april in het rapport De stand van vrijheid. „Eigen keuzes kunnen maken, zelf bepalen, kunnen doen en laten en gaan en staan waar je wilt, jezelf zijn: ruim 50% van de Nederlanders geeft een antwoord van die strekking wanneer hun wordt gevraagd wat het begrip vrijheid bij hen oproept.” Slechts 6 procent noemt „vrij van oorlog zijn”, aldus onderzoeker Froukje Demant.

Het begrip vrijheid is kennelijk zo verweven geraakt met de invulling die het sinds de oorlog kreeg, dat de meer basale vorm ervan, de vrijheid van dwang of onderdrukking, niet eens meer wordt opgemerkt. Die wordt voor lief genomen, zou je kunnen zeggen. Ten onrechte, als je kijkt naar de rest van de wereld: veel landen zijn (semi)dictaturen, en dat aantal stijgt eerder dan dat het daalt.

Als we in Nederland klagen over de overheid, gaat het vaak over bureaucratie: de overheid regelt te veel, vraagt te veel, gedraagt zich als een bemoeizuchtige ouder. Maar het is tenminste géén autoritaire ouder: aan onze politieke vrijheden wordt niet getornd. Sterker nog, ook als we rebelleren stelt de overheid zich in Nederland al sinds de jaren zestig welwillend op. Wie een geel hesje aantrekt en een beetje schreeuwt, is dezelfde maand nog te gast in het Torentje.

Zelfs in deze crisis hebben we vooral een aardige overheid, die zich zichtbaar ongemakkelijk voelt bij het uitoefenen van dwang. Terwijl andere regeringen in één klap de boel dichtgooiden, liet die van ons de winkeliers zélf tot het inzicht komen dat het beter was om even dicht te gaan. En terwijl elders de politie hard optreedt tegen samenscholingen, zijn het bij ons vriendelijke boa’s en agenten die eerst de dialoog aangaan. Zoals de Beverwijkse politieman Maarten Boeren het zei tegen de Volkskrant: „We zijn gewend om eerst met mensen te praten, om hen, als ze bijvoorbeeld boos zijn, uit die emotie te halen.”

Gezegend het land waar je uit je emotie wordt gehaald voordat het gezag overgaat tot bestraffing. Dat beseffen meer mensen, zo blijkt uit een peiling van tv-programma EenVandaag: 51 procent van de Nederlanders heeft door de coronacrisis meer waardering voor de vrijheid dan in andere jaren. You don’t know what you got till it’s gone, zoals Joni Mitchell het zong.

Juist daarom is de vergelijking tussen de oorlog en de coronacrisis zinvol: ze herinnert ons aan het belang van basale vrijheden (zoals het recht om je vrij te bewegen), en laat tegelijk zien hoezeer we er in aanvullende vrijheden op vooruit zijn gegaan. Ze toont ons dat we, zelfs in deze buitengewone en soms buitengewoon moeilijke tijd, bevoorrechte mensen zijn.