Opinie

Fotoreportages over corona: achter de lege straten schuilt het menselijk leed

De ombudsman

Hoe breng je corona in beeld, de crisis van deze tijd? Voor fotojournalisten is dat een opgave omdat die woedt achter de deuren van zorginstellingen. Verder is er niet echt veel te zien: lege straten, winkels met rolluiken, een paard op Times Square.

Ik sprak erover met Natalia Toret, chef van de fotoredactie. Die zit in een grotendeels leeg NRC-gebouw achter een lint, overgehouden van een reportage. Half ludiek opgehangen, als herinnering aan de regel om ook op de redactie anderhalve meter afstand te houden. Collega’s kijken immers graag over je schouder mee.

Over de journalistieke complicaties buiten zegt Toret: „Je kunt niet wéér een leeg plein laten zien. Het ziet er toch net zo uit als op een stille zondag.” Urgenter is: laten zien wat er in de ziekenhuizen gebeurt, waar het menselijke drama van het virus zich afspeelt.

Dat deed NRC zaterdag met een indringende fotoreportage uit het Wilhelmina Ziekenhuis Assen. Fotograaf Kees van de Veen volgde een dochter en een zoon die hun vader verloren, tot en met de uitvaart. Bij de foto’s, aan de familie (en het ziekenhuis) voorgelegd, kwam tekst van de zoon, opgetekend door een verslaggever.

De reportage werd massaal gelezen en gedeeld op sociale media. Bij mij maakte één lezer bezwaar, want profiteerde de krant hier niet van een familie in shock? En hoe zat het met de toestemming: de patiënt zelf kon niets worden gevraagd. En waarom had het ziekenhuis dit toegestaan?

Dat zijn reële vragen, die bij het stuk niet werden beantwoord, zoals soms gebeurt in een kader.

Wat was de gang van zaken? Fotograaf Kees van de Veen, die al jaren freelance voor NRC werkt, kreeg van het Assense ziekenhuis toestemming om een reportage te komen maken op de intensive care. Hij ontmoette daar de familie van deze patiënt – het ziekenhuis staat in de palliatieve fase twee bezoekers per dag toe – en vroeg hen toestemming om te fotograferen. Die kreeg hij.

Dat vroeg hij een dag later opnieuw en nog eens voorafgaand aan de uitvaart. Ook daarna had hij contact met de nabestaanden, die hij zijn foto’s stuurde.

Ik had zo’n intieme reportage nog nergens anders gezien. Wél in The New York Times een bloedstollend verslag (zelfs met röntgenfoto’s van de longen erbij) van een patiënt die op het nippertje overleefde. Enkele doden werden door die Amerikaanse krant herdacht in korte portretten.

Van de Veen zelf zegt: „Ik heb geen moment het gevoel gehad dat ik tegen een grens aan zat, laat staan eroverheen ging. Dat moet natuurlijk ook niet, want je wilt dit alleen doen met respect voor de patiënt en zijn familie.”

Zoiets gaat niet alleen op vertrouwen. Zowel de familie als de fotograaf moest een contract met het ziekenhuis tekenen waarin ze verklaren vrijwillig mee te werken, zich bewust te zijn van mogelijke gevolgen voor de „privésfeer” én zich er in (sociale) media na afloop pas over uit te laten na goedkeuring van het ziekenhuis. In de NRC Code is zo’n contract toegestaan als dat de enige manier is om toegang te krijgen tot speciale plekken zoals ziekenhuizen of militaire locaties. Inderdaad, de patiënt zelf kon niets meer gevraagd worden – maar dan is integer overleg met de familie het beste wat een krant kan doen.

Dat de serie overwegend warm werd ontvangen is ook opmerkelijk omdat foto’s van menselijk leed meestal verontwaardigde reactie opleveren. Media zijn daar ook voorzichtig in geworden, misschien wel te prudent, vergeleken met de jaren zeventig toen gruwelijke beelden uit Biafra en Vietnam de pagina’s vulden.

Deze reportage was integer gedaan, met gevoel voor het onderwerp én de mensen. Toret: „We wilden dit in beeld brengen omdat het iets is dat veel mensen nu doormaken. En dan niet snel wat foto’s maken, maar een familie langere tijd volgen en erbij betrekken.” Zij noemt het beeld „sereen”. Op de ene foto waarop de vader is overleden, is zijn gezicht afgedekt en dus niet te zien.

Cruciaal is natuurlijk de context: de reeks is gemaakt in een nationale crisis, niet ‘zomaar’ om eens te kijken hoe het toegaat in een ziekenhuis.

Een woordvoerder van het ziekenhuis zegt: „De eerste keer dat ik de foto’s zag, dacht ik wel even: willen we dit? Maar het is de werkelijkheid. En de familie was erbij betrokken.” Overigens, journalisten zijn vaak ongenode toeschouwers, maar er zijn natuurlijk gradaties. Hier was de grens met voyeurisme goed bewaakt, vond ik.

Aangrijpend beeld hoeft ook niet in your face te zijn, zoals het heet. Een van de ellendigste foto’s die ik ken, is ‘Tragedie aan zee’, waarmee de Los Angeles Times in 1955 een Pulitzer Prize won. Te zien is een jong echtpaar aan het strand; de vrouw klampt zich vast aan de man en kijkt hem aan, ze lijkt iets te zeggen, hij staart naar de aanrollende golven. Daar is zojuist hun éénjarige zoon verzwolgen. Op die prijswinnaar kwam overigens wél veel kritiek: de fotograaf was bij toeval op het tafereel gestuit en had in een reflex gehandeld. Was dat wel ethisch?

NRC bracht eerder een fotoreportage van Ilvy Njiokiktjien uit het Jeroen Bosch Ziekenhuis in Den Bosch en een mooi stuk met foto’s over mantelzorgers van patiënten. Over dat laatste artikel nog wel iets: een patiënt daarin, „oud-journalist” Reinoud Roscam Abbing zal door sommigen zijn herkend. Hij werkte jarenlang bij NRC Handelsblad, onder meer als correspondent Latijns-Amerika en Haags redacteur. De auteur had dat niet vermeld, omdat het er voor het verhaal niet toe deed, maar het viel een aantal collega’s op en ook sommige lezers zullen het zich hebben afgevraagd.

Bovendien is het ook een vorm van (h)erkenning: hij werkte voor de krant waarin hij nu als patiënt verschijnt. Ook dat is een indringend feit in tijden van ziekte.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.