De kleine hoefijzerneus (Rhinolophus hipposideros), een van de pakweg 1.200 soorten vleermuizen op aarde.

Foto Getty Images

Als ziekten overspringen van dier naar mens

Zoönosen Net als het nieuwe coronavirus, is een groot deel van de infectieziekten afkomstig van dieren. Moet de mens zich zorgen maken?

Ebola. Aids. Hanta. Nipah. Rabiës. Herpes B. Q-koorts. Toxoplasmose. Rundertuberculose. Vlekziekte. Salmonella. H5N1 – ook wel bekend als aviaire influenza of vogelgriep. H1N1 – varkensgriep of Mexicaanse griep. Lassakoorts. Botulisme. Mers. Sars. Lyme.

Bovenstaand rijtje kan nóg veel langer. Volgens de World Health Organisation (WHO) worden er wereldwijd mensen ziek van meer dan 200 zoönosen: infectieziektes die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen (en andersom). Sinds enkele maanden is er een nieuwe naam aan de lijst toe te voegen: Covid-19, veroorzaakt door het nieuwe coronavirus SARS-CoV-2.

Het probleem is omvangrijk: uit een artikel in Nature uit 2008 blijkt dat ruim 60 procent van de nieuwe (of plotseling sterk in aantal toenemende) infectieziekten die tussen 1940 en 2004 zoönosen betrof. Niet alle zoönosen zijn levensbedreigend, maar veel wel. En sommige groeien dus uit tot een pandemie. Volgens een onderzoek van International Livestock Research Institute (ILRI) gaat het zelfs om 75 procent. In datzelfde rapport staat dat dertien van die ziekten (waaronder rundertuberculose en hepatitis E, overgedragen vanuit varkens) zorgen voor zo’n 2,2 miljoen doden per jaar wereldwijd.

„Het was een kwestie van tijd voordat the next big one zou opduiken”, zegt de Amerikaanse non-fictieschrijver David Quammen aan de telefoon. Hij schreef in 2012 het boek Spillover, waarin hij laat zien hóé bepaalde zoönosen – zoals nipah, dat onder andere tot koorts en ernstige ademhalingsproblemen kan leiden, en aids – bij mensen terecht zijn gekomen. Uit zijn verhalen komt naar voren hoe divers de manieren zijn waarop zoönosen ontstaan (van het eten van besmet vlees tot een beet door een geïnfecteerd dier) en hoe wijd verspreid ze zijn. „Bij die 60 procent wordt uitgegaan van een strikte definitie, waarbij nog altijd sprake moet zijn van huidige overdracht tussen dieren en mensen. Maar er zijn ook ziekteverwekkers – zoals bij cholera en de mazelen – die afstammen van vormen die ooit de sprong van dier naar mens hebben gemaakt. Het voert misschien wat ver om te zeggen dat al onze infectieziektes een zoönotische oorsprong hebben, maar je ziet duidelijk hoe nauw we met andere soorten in verbinding staan.”

Wilde eenden kunnen diverse vogelgriepvirussen overbrengen op mensen.
Foto Getty Images
Schapenteken kunnen de ziekte van Lyme overbrengen van herten op mensen.
Foto Getty Images
Fretten kunnen ook besmet raken met het nieuwe coronavirus SARS-CoV2.
Foto Getty Images

Niet alle zoönosen worden door virussen veroorzaakt. De ziekte van Lyme bijvoorbeeld wordt veroorzaakt door de borreliabacterie, na een beet van een besmette teek. En salmonellabacteriën kunnen bijvoorbeeld van een besmette kip in een mens terechtkomen als die het vlees (of de eieren) niet voldoende verhit. Quammen: „En dan zijn er nog schimmels, wormen, parasitaire eencelligen en prionen die voor zoönosen kunnen zorgen. Een prion is een infectieus eiwit dat bijvoorbeeld voor gekkekoeienziekte kan zorgen, na het eten van besmet vlees. En een voorbeeld van een parasitaire eencellige is Toxoplasma gondii, die via kattenuitwerpselen in mensen terecht kan komen, bijvoorbeeld tijdens het verschonen van de kattenbak. Die parasiet kan bij zwangere vrouwen een miskraam veroorzaken en voor oogafwijkingen van pasgeborenen zorgen.”

Verwarrend genoeg is malaria, overgedragen door muggen, niet in alle gevallen een zoönose. De parasiet komt in vijf soorten voor; vier daarvan hebben de mens specifiek als gastheer. Quammen: „De mug is weliswaar de vector – een transportmiddel – maar er is buiten de mens geen ander dierlijk ‘reservoir’ waarin de parasiet leeft.” De vijfde soort, Plasmodium knowlesi, komt ook in makaken voor en kan ook door muggen worden overgedragen op mensen. Quammen: „In dat geval spreek je dus wél van een zoönose.”

Wapenwedloop

De Nederlandse patholoog Thijs Kuiken doet aan het Erasmus MC al tientallen jaren onderzoek naar de overdracht van zoönotische virussen. „Bij verschillende dieren kan een virus verschillende uitwerkingen hebben: de ene soort is er niet of nauwelijks vatbaar voor, terwijl de andere soort er ernstig ziek van kan worden. Zo kan SARS-CoV-2 naast mensen ook katten en nertsen ziek maken, maar hebben honden en kippen er geen last van. Terwijl andere virussen – bijvoorbeeld bepaalde vormen van aviaire influenza – tot bijna 100 procent sterfte bij kippen leiden.”

Hoe ziekmakend een virus is, is moeilijk te voorspellen, zegt Kuiken. „Meerdere factoren spelen een rol – bijvoorbeeld in hoeverre de gastheer is aangepast aan het virus. Als een virus zich lange tijd in een soort bevindt, dan is er sprake van ‘co-evolutie’ – gastheer en ziekteverwekker zijn als het ware verwikkeld in een wapenwedloop, waarbij de een zich aan de ander aanpast en vice versa.” Zodoende kan het voorkomen dat een organisme weinig hinder ondervindt van het virus. Dat is het geval bij vleermuizen voor het SARS-CoV-2-achtige virus dat ze bij zich dragen. Een ander voorbeeld is het hanta-virus – een door muizen en ratten verspreide ziekte die bij mensen een dodelijk verloop kan hebben, maar waarvan de knaagdieren zelf geen hinder ondervinden.

Kuiken: „Infectiebiologen gaan uit van de intermediate virulance hypothesis: een ziekteverwekker zal zijn gastheer wel ziek maken, maar niet té. Die virulentie is een maat om aan te geven hoeveel schade een virus aanricht. Te hoge virulentie is nadelig omdat de gastheer te snel zal sterven of zich te veel zal afzonderen, en dan kan het virus zich niet verder verspreiden.”

Of een virus zich makkelijk verspreidt, hangt af van vier barrières, stelde Kuiken in 2006 vast met een team van wetenschappers. Allereerst komt het erop neer dat het ‘reservoir’, dus het dier waarin de ziekteverwekker al voorkomt, en de gastheer met elkaar in contact moeten komen. „Die blootstelling klinkt logisch, maar een oceaan bijvoorbeeld kan een flinke horde vormen voor een virus. Dat zag je bijvoorbeeld bij het westnijlvirus. Dat kwam eerst alleen in Afrika voor, en niet in Amerika. Vermoedelijk is het uiteindelijk meegelift naar New York met een mug, per vliegtuig. Zo faciliteren mensen soms onbedoeld de blootstelling.” Een ander voorbeeld is het nipahvirus, dat van vleermuizen op varkens (en vervolgens op mensen) kon overspringen toen in Maleisië varkensstallen in het (deels gekapte) oerwoud werden gebouwd. „De vleerhonden daar – grote vleermuizen – waren geïnfecteerd met het virus en aten papaja’s uit de bomen. Die aangevreten vruchten vielen op de grond en werden opgepeuzeld door de varkens.”

Varkens kunnen een variant van het H1N1-virus bij zich dragen dat voor varkensgriep zorgt.
Foto Getty Images
Chinese hoefijzerneuzen kunnen diverse coronavirussen bij zich dragen.
Foto Getty Images

Stap twee in het overwinnen van de soortbarrière is dat de ziekteverwekker ook echt de cel moet in kunnen. Kuiken: „Voor virussen zijn de receptoren aan de buitenkant van de cel daarbij heel belangrijk – op die manier kunnen ze binnendringen. Maar zo’n poging is alleen succesvol als het virus ook het aangeboren immuunsysteem van de soort kan overwinnen, want anders worden de virussen meteen als indringers herkend en opgeruimd door het lichaam.”

De derde stap houdt in dat het virus ook weer uit de gastheer wég moet kunnen. Kuiken: „Het virus moet zich in voldoende mate reproduceren om ook uitgescheiden te worden door bijvoorbeeld te niezen of te hoesten.”

Tot slot moet het virus ook in staat zijn om voortdurend nieuwe gastheren te infecteren. Kuiken: „Bij nieuwe infectieziekten, zoals nu bij Covid-19, zie je in eerste instantie een duidelijke curve: steil omhoog, en daarna weer naar beneden. Of er daarna nóg een piek komt, en nóg een, hangt ervan af of het virus in staat is om de zogeheten epidemic trough te overwinnen: de relatieve luwte na afname van die eerste piek. Dan zijn er een tijdlang minder besmettingen, bijvoorbeeld vanwege hoge zomertemperaturen of omdat er veel mensen immuun zijn.”

David Quammen: „Virussen zijn er vaak heel goed in zich een tijdje verborgen te houden. Ten tijde van de sars-uitbraak werden er tienduizenden witsnuitpalmrollers afgemaakt – die specifieke civetkattensoort bleek voor de overdracht van het virus op de mens te hebben gezorgd. Er ontstond een heuse heksenjacht op die dieren. Maar zelfs al zou je álle civetkatten doodmaken, dan zou het virus zich toch nog in een andere soort kunnen schuilhouden.”

Hoe divers de zoönosen en hun gastheren ook zijn, toch lijken sommige diergroepen vaker betrokken bij de verspreiding dan andere – vleermuizen bijvoorbeeld. Over de achterliggende oorzaak wordt gespeculeerd. Zo zou kunnen meespelen dat vleermuizen de enige vliegende zoogdieren zijn, en zodoende grote afstanden kunnen afleggen. Toch is de werkelijkheid mogelijk prozaïscher. Quammen: „SARS-CoV-2 is vermoedelijk vanuit bepaalde vleermuizen – Chinese hoefijzerneuzen – via schubdieren bij de mens gekomen. Maar die hoefijzerneuzen zijn slechts een van de pakweg 1.200 vleermuissoorten – bijna een op de vier zoogdiersoorten is een vleermuis! Dus dat geeft ook wel een vertekend beeld.”

Die opmerking wordt bevestigd door recent onderzoek van de Schotse wetenschappers Nardus Mollentze en Daniel Streicker, dat begin maart in PNAS verscheen. Ze bestudeerden verschillende ordes van zoogdieren en vogels en zagen dat het aantal virale zoönosen dat wordt verspreid samenhangt met het aantal soorten binnen zo’n orde. Knaagdieren vormden de meest omvangrijke orde binnen het onderzoek, en bleken ook het grootste aantal op mensen overdraagbare virussen met zich mee te dragen.

Dat vleermuizen veel virussen bij zich dragen kan ook komen doordat ze sociale dieren zijn, die in grote groepen bij elkaar leven. Dat draagt bij aan de onderlinge verspreiding. Verder is van sommige soorten vleermuizen bekend dat ze een sterke aangeboren afweer hebben. Ze worden daardoor zelf niet ziek van de virussen, maar dragen die wel met zich mee. Toch vinden Mollentze en Streicker in hun onderzoek geen aanwijzingen dat die eigenschappen de kans op virusoverdracht van vleermuis naar mens vergroot.

Hertmuizen en andere knaagdieren kunnen het dodelijke hantavirus overdragen.
Foto Getty Images
Zwarte ratten hebben in het verleden veelvuldig de pest overgebracht.
Foto Getty Images
Kippen kunnen naast vogelgriepvirussen ook salmonellabacteriën bij zich dragen.
Foto Getty Images

Natuur is een totaalpakket

Quammen: „Vleermuizen bevruchten planten, eten muggen… Alles in de natuur is met elkaar verweven. We kunnen niet zomaar even zeggen: die soort willen we wel en die niet. Als we natuur willen, moeten we het totaalpakket omarmen. Dus in plaats van vleermuizen zwart te maken moeten we ze juist met rust laten.”

Volgens Mollentze en Streicker is het nuttiger om in de toekomst niet alleen te focussen op specifieke diersoorten, maar ook op regio’s met een hoge biodiversiteit. De Duitse onderzoekers Jan Felix Drexler, Max Corman en Christian Drosten schreven in 2014 al in Antiviral Research dat bepaalde biodiversiteitshotspots zoals Zuidoost-Azië en Centraal Afrika tot nu toe te weinig bestudeerd worden bij het onderzoek naar zoönosen, deels ook vanwege de lastige bereikbaarheid en politieke instabiliteit. In het ILRI-rapport worden Zuid-Azië en Centraal- en Oost-Afrika ook genoemd als ‘zoönosenhotspots’, vanwege hoge bevolkingsdichtheden en nauwe interactie tussen mensen en vee. Maar tegelijkertijd benadrukt het rapport dat juist de Verenigde Staten, Australië en West-Europa hotspots lijken voor nieuwe ‘emergente’ zoönosen, zoals bepaalde varianten van vogelgriep.

Zoönosen zijn dus niet specifiek toe te schrijven aan één diergroep of plaats. Evenmin horen ze specifiek bij een tijdsperiode, zegt Thijs Kuiken. „De vroegste mensen hadden zeker weten óók al last van ziekteverwekkers die ze opliepen van andere dieren – tijdens de jacht bijvoorbeeld. En later kwamen daar door domesticatie weer andere ziektes bij, via gezelschapsdieren en via vee.”

Nog weer later zorgden verstedelijking en industrialisatie voor zogeheten ‘mens-volgers’ – dieren die in onze omgeving leven, omdat ze er voordeel uit kunnen halen bijvoorbeeld door tussen het vuilnis naar etensresten te zoeken. „Dat leidde tot ziektes zoals de pest.”

Consumptiepatroon

Dat neemt niet weg dat de opkomst van zoönosen wel verder lijkt toe te nemen. De afgelopen eeuw is daarin ook globalisering een rol gaan spelen. Kuiken: „Ons consumptiepatroon is groter en ons reisgedrag is steeds internationaler geworden. Tegelijkertijd spelen al die eerdere factoren – jacht en stroperij, veeteelt, verstedelijking – ook nog steeds mee.”

Sinds de uitbraak van SARS-CoV-2 zijn er diverse petities gestart om de Chinese wet markets – zoals die in Wuhan, waar de eerste gevallen van Covid-19 werden vastgesteld – te sluiten. Maar die markten, waar levende en dode (soms wilde) dieren voor consumptie worden verhandeld, zijn niet de enige oorzaak van zoönosen.

„We moeten stoppen met dat vingerwijzen naar elkaar”, vindt Quammen. „Wij zijn allemaal schuldig – veel van de keuzes die we maken, hebben direct of indirect invloed op de natuur: hoeveel kinderen je hebt, wat je eet, waar je naartoe op vakantie gaat, of je huisdieren hebt. Etcetera. Zelfs dat jij en ik nu met elkaar zitten te bellen heeft consequenties. Voor onze smartphones is onder andere het zeldzame erts coltan nodig, dat onder meer wordt gewonnen in het oosten van Congo. Door een smartphone te kopen vraag je iemand voor jou de bossen in te gaan om coltan te winnen – en indirect om bushmeat te eten tijdens dat verblijf in de jungle.”

De intensieve veehouderij in Nederland leidt ook tot de verspreiding van ziektes. Kuiken: „Kijk bijvoorbeeld naar Q-koorts. Rond de eeuwwisseling stapten veel boeren over op het houden van geiten, onder andere vanwege de gekkekoeienziekte, mond-en-klauwzeer en varkenspest. Maar vervolgens bleek de geitenmest bacteriën te bevatten die Q-koorts veroorzaakten.” In 2018 waren in Nederland 590.000 geiten, tegen een paar duizend in 1980.

Tegelijkertijd kunnen ook de ruim 33 miljoen gezelschapsdieren in Nederland voor de overdracht van ziektes zorgen.

Quammen: „En vergeet de mensen zelf niet. Wij zijn met een populatie van zo’n 7,7 miljard een plaag op zich. Alleen China heeft al zo’n 1,4 miljard inwoners, die allemaal willen eten. Dan mag het geen wonder heten dat iemand eens een gefrituurd stukje witsnuitpalmroller uitprobeert.”

Kuiken: „Covid-19 is weliswaar op dit moment ontwrichtend voor onze maatschappij, maar als we het in een breder perspectief plaatsen, dan is het maar één van de vele problemen die worden veroorzaakt door hoe we met de wereld omgaan. Klimaatverandering, de achteruitgang van biodiversiteit, overbevolking, honger… Alles grijpt in elkaar. Minder vliegen en minder vaak een nieuwe telefoon kopen is niet alleen goed om de verspreiding van SARS-CoV-2 tegen te gaan, maar ook om die andere problemen aan te pakken.”

Dat zegt ook Quammen. „Wat mensen van andere plagen onderscheidt is dat we keuzes kunnen maken. Kiezen om onze arm voor onze mond te houden als we hoesten. Om minder vlees te eten, minder te reizen, minder kinderen op de wereld te zetten. Want als we zelf niet onze bevolkingsaantallen reguleren, dan is de kans groot dat het voor ons wordt gedaan. Bijvoorbeeld door een virus.”

Spillover van David Quammen verscheen eerder onder de Nederlandse vertaling Van Dier naar Mens. In april kwam er een herdruk uit, met de nieuwe titel Zoönose.