Het Javaanse schubdier (Manis javanica) is een van de acht soorten wereldwijd: vier leven er in Afrika (Afrikaans boomschubdier, reuzenschubdier, Temmincks schubdier en langstaartschubdier) en vier in Azië (Javaans

Foto BlackAperture

Verdachte tegen wil en dank

Biologie Javaanse schubdieren staan wereldwijd in de belangstelling van wetenschappers. Wat is hun relatie met het nieuwe coronavirus?

Schubdieronderzoeker Elisa Panjang herinnert zich haar eerste Javaanse schubdier nog goed. Ze zag het op een zonnige dag in 1994, in haar woonplaats Sandakan in Sabah, het Maleisische noorden van Borneo: „Ik was tien jaar oud en ik speelde met vrienden aan de rand van het bos. Ineens zag ik een raar dier lopen, donkerbruin, met schubben en een grappige waggelende gang. Ik stond aan de grond genageld en bleef kijken tot het weer in het bos verdween. Thuis legde mijn moeder uit wat ik had gezien: geen hagedis, maar een zoogdier. Ze vertelde dat ze mieren eten, dat ze in holen in dikke oude bomen slapen en dat ze hun jong op hun staart ronddragen. Op dat moment, ik was toen tien, had ik stiekem al besloten dat ik iets met dit dier ging doen.”

Inmiddels werkt Panjang bij het Danau Girang Field Center, diep in het oerwoud van Sabah, waar ze veldonderzoek doet naar de ecologie van Javaanse schubdieren voor haar PhD aan de universiteit van Cardiff in Wales. Sinds een paar weken is het veldcentrum grotendeels gesloten vanwege de coronacrisis. Dat komt bijzonder slecht uit nu wetenschappers van over de hele wereld ineens grote belangstelling hebben voor schubdieren. Op 26 maart publiceerden onderzoekers uit China en Australië in Nature een onderzoek waaruit blijkt dat er coronavirussen in schubdieren zijn gevonden die sterke overeenkomsten vertonen met het virus dat de huidige pandemie veroorzaakt, SARS-CoV-2.

Ingevroren weefselmonsters

Javaanse schubdieren uit de illegale wildhandel waren de bron van het gevonden virus. De virussen werden aangetroffen bij ingevroren weefselmonsters van dieren die tussen 2017 en 2019 in beslag waren genomen in de havenstad Guangzhou en in de provincie Guangxi, vlak bij de Vietnamese grens. De virussen van de dieren uit Guangzhou vertoonden de sterkste genetische overeenkomst (tot 92,4 procent) met SARS-CoV-2. Ofschoon een vleermuisvirus uit 2013 sterkere overeenkomst met het pandemievirus had (96 procent), circuleerden al snel berichten dat het schubdier een mogelijke tussenschakel was in het ontstaan van de virusuitbraak.

Dierepidemiologen Andrew Cunningham van de Zoological Society of London en Tierra Evans van de universiteit van Californië protesteren daartegen. Zij wijzen erop dat de hoefijzerneusvleermuis, waarin het meest gelijkende virus werd gevonden, nog steeds de meest waarschijnlijke bron is. Er hoeft geen sprake te zijn van een tussendier. Uit onderzoek in het zuiden van China uit 2019, blijkt dat coronavirussen daar regelmatig overspringen van vleermuizen op plattelandsbewoners.

Precieze relatie

Xander de Haan, viroloog aan de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, legt uit wat de precieze relatie is tussen het schubdiervirus en SARS-CoV-2: „Als je goed kijkt naar de virusstamboom, zie je dat het menselijke virus in een evolutionaire tak zit die zich heeft afgesplitst van de vleermuizentak. De virussen gevonden in de Guangzhou-schubdieren hebben zich daar al eerder van afgesplitst.”

In menselijke termen zou je kunnen zeggen dat het virus in de Guangzhou-schubdieren eerder een neef is van SARS-CoV-2, terwijl het virus van vleermuizen een broertje is van het pandemievirus.

Toch is de vondst van de nieuwe sars-achtige virussen in schubdieren opvallend. Tot nu toe waren alleen vleermuizen als dragers van dit soort virussen bekend. Omdat er in onderzoek twee verschillende evolutionaire lijnen werden aangetroffen in schubdieren van verschillende herkomst, is de besmetting van schubdieren door vleermuizen vermoedelijk geen eenmalig incident. Hoe kan dat? Schubdierkenners houden rekening met drie scenario’s: schubdieren kunnen besmet zijn in het wild, tijdens de smokkel of in een fokkerij.

Het Javaanse schubdier (Manis javanica) is een van de acht soorten wereldwijd: vier leven er in Afrika (Afrikaans boomschubdier, reuzenschubdier, Temmincks schubdier en langstaartschubdier) en vier in Azië (Javaans schubdier, Palawanschubdier, Indisch schubdier en Chinees schubdier) Foto Getty Images

Bloedmonsters uit Maleisië

De Hongkongse viroloog Tommy Lam, hoofdauteur van het Nature-artikel, heeft schubdieronderzoeker Elisa Panjang al benaderd voor bloedmonsters uit Maleisië. Hij wil weten of de gevonden coronavirussen in wilde schubdieren circuleren. Lam meldt ook dat hij langs de smokkelroutes naar China speurt maar na doorvragen reageren hij en zijn collega’s niet meer op mails.

Elisa Panjang heeft in Sabah ondervonden hoe moeilijk het is de dieren in het wild te observeren. Niet alleen zijn er nog weinig dieren over; ze slapen ook het grootste deel van de dag, verstopt in een boomhol in de stam of tussen de wortels. Alleen midden in de nacht komen ze een paar uur naar buiten, om mieren- en termietennesten open te breken met hun geklauwde voorpoten.

Elisa maakt wildcamera’s vast aan bomen en heeft sinds 2011 elf dieren van een zender kunnen voorzien. Ook dat is niet eenvoudig, want schubdieren hebben geen hals waar je een band omheen kunt doen, zoals bij tijgers of civetkatten. De zenders worden aan een schub vastgeschroefd. Panjang: „Javaanse schubdieren leven bij voorkeur in grote, oude oerwoudbomen. De holtes waar ze zich doorheen wurmen zijn smal en de begroeiing is vaak dicht. Binnen een paar weken tot een paar maanden breekt zo’n zendertje steevast af en kan ik het dier niet meer volgen.” In die korte periodes kon ze hun territorium en bewegingspatronen in kaart brengen en ontdekte ze dat de dieren tientallen slaapholen hebben, waartussen ze regelmatig wisselen.

Ofschoon het nooit is vastgesteld, kan Elisa Panjang zich voorstellen dat vleermuizen en schubdieren in het wild virussen uitwisselen. „Vleermuizen zijn na knaagdieren de grootste zoogdierengroep die er is, met meer dan 1.100 soorten. Ze zijn overal. Onder het dak van een van de gebouwen van ons veldcentrum hangt een hele kolonie te slapen. Die laten veel uitwerpselen vallen. Ik heb er weleens een gezenderd schubdier onderdoor zien lopen.” Daarnaast heeft ze geconstateerd dat schubdierholen worden bezocht door andere kleine zoogdieren, zoals Maleise stinkdassen en stekelvarkens.

Voeden met vleermuizenmest

Ook Nick Sun, schubdieronderzoeker aan de Pingtung University of Science and Technology in Taiwan, heeft geen moeite om mogelijkheden voor uitwisseling te bedenken. Acht jaar lang volgde hij Chinese schubdieren in de bergen van Dulan in Oost-Taiwan, om hun rol in het ecosysteem te ontrafelen. Hij verwacht daar in juni op te promoveren. Sun: „In de bossen waar schubdieren voorkomen, leven vaak grote populaties vleermuizen. Het is bekend dat vleermuizen het coronavirus uitscheiden in hun uitwerpselen. Ook mieren zullen daarmee in aanraking komen, en die mieren vormen juist het favoriete voedsel van schubdieren.” Er zijn in ieder geval gepubliceerde voorbeelden uit Australië bekend van mieren die zich voeden met vleermuizenmest en het meenemen naar hun nest. Chinese schubdieren delen hun holen net als Javaanse schubdieren met allerlei andere dieren, waaronder ratten en de aan sars gelinkte witsnorpalmroller, een soort civetkat.

Epidemiologen zoeken de bron van de pandemie vooral in de illegale wildhandel en markten. In die omgeving worden schubdieren snel ziek. De Chinese onderzoeker Jinping Chen en zijn collega’s, die eind 2019 de Guangzhou-schubdieren onderzochten, beschrijven de staat waarin deze dieren verkeerden toen ze in beslag werden genomen: hun lichamen zaten vol huidinfecties en bij sectie bleken de longen en soms de lever en milt zwaar ontstoken te zijn. Behalve het door Tommy Lam beschreven coronavirus werden er ook veel Sendai-virussen en een grote variëteit aan andere coronavirussen aangetroffen. De schubdieren waren wandelende infectiehaarden.

De Nederlandse Madelon Rusman heeft veel van dit soort dieren gezien bij Save Vietnam’s Wildlife, het grootste opvangcentrum voor schubdieren ter wereld. Het ligt in Cuc Phuong, in Noord-Vietnam, langs de belangrijkste landroute van dierensmokkel naar China.

Volgepompt met maispap

Rusman vertelt wat de dieren meemaken: „Eerst zijn ze in een land als Cambodja met honden of klemmen gevangen en gewond geraakt. Ze rollen zich dan op uit zelfbescherming en worden in stugge netten verpakt. De dieren liggen daarna dagenlang op elkaar gestapeld achter in een truck of busje, zonder eten en drinken. De smokkelaars pompen ze bovendien vol met maïspap, omdat ze per kilo worden betaald. Dat kunnen schubdieren niet verteren, dus de onderste dieren liggen in de diarree van de dieren erboven. Soms vullen de smokkelaars ze zelfs met grind. Daar komt bij dat het in Noord-Vietnam en China veel te koud is voor Javaanse schubdieren, waardoor hun immuunsysteem verder instort.”

De meeste geredde schubdieren overlijden in quarantaine en zien nooit het bos terug. Dieren die weer in het wild worden uitgezet, blijven kwetsbaar. Elisa Panjang vertelt dat dit komt doordat de dieren op zoek gaan naar hun oude territorium. Ze gaan zwerven en komen in palmolieplantages terecht, met een grote kans dat ze opnieuw worden gevangen.

Naast besmettingen in het wild en in de wildhandel, is er een derde scenario denkbaar: schubdierfokkerijen. Op 25 februari schreef de krant The Guardian dat China bijna 20.000 wildfokcentra heeft gesloten als reactie op de pandemie. Daar werden talloze wilde diersoorten gefokt, van struisvogels tot pauwen en van civetkatten tot bamboeratten en stekelvarkens. Steve Blake, woordvoerder van WildAid China, een internationale ngo die een einde wil maken aan de illegale wildhandel, meldt dat de fokkerijen eind januari tegelijk met de wildmarkten zijn verboden. CBCGDF, een Chinese natuurbeschermingsorganisatie in Beijing, laat weten dat er ook schubdierfokkerijen bestaan, op verschillende locaties in Zuid-China.

Veel ‘reddingscentra’ zijn eigenlijk fokkerijen

Secretaris-generaal Jinfeng Zhou: „Ze worden Wildlife Rescue Centers genoemd, of ‘onderzoekscentra voor fokken in gevangenschap’. Daarnaast zijn er ook commerciële farms. Wij strijden tegen deze plekken. Vanzelfsprekend betekenen ze een serieus risico voor het overspringen van zoönotische virussen op mensen.”

Bij nadere analyse blijkt dat alle onderzochte schubdieren van het Nature-artikel zijn te linken aan deze instellingen. De Guangdong-dieren komen uit het Guangdong Provincial Wildlife Rescue Center, gevestigd in Guangzhou. Blijkens een publicatie uit 2015 is dat centrum betrokken geweest bij onderzoek naar het fokken van schubdieren in gevangenschap. De schubdieren uit Guangxi komen van het Guangxi Terrestrial Wildlife Rescue and Epidemic Disease Detection Center in Nanning. Dat reddingscentrum is nog meer omstreden.

Verschillende rechtszaken

De CBCGDF vertelt dat de ngo in 2018 en 2019 verschillende rechtszaken heeft gevoerd tegen dit reddingscentrum, omdat het schubdieren leverde aan bedrijven die commerciële schubdierfokkerijen wilden opzetten. Het centrum deed dit nadat een groep van 34 schubdieren in het najaar van 2017 in het reddingscentrum was doodgegaan aan een dodelijk virus. Na aandringen kreeg CBCGDF te horen dat het ging om een parvovirus, maar CBCGDF trekt dit al sinds 2018 in twijfel. Is het virus dat 34 schubdieren doodde, hetzelfde dat op de Guangxi dieren in het Nature-artikel is gevonden?

De auteurs van het artikel antwoorden inmiddels niet meer. Onderzoeker Jinping Chen, die de Guangzhou-schubdieren onderzocht, ontkent dat de virussen in het reddingscentrum de bron van de epidemie kunnen zijn. Duidelijke argumenten geeft hij niet, maar hij beroept zich op ervaring: „We werken al lang met deze dieren en hebben veel samples uit verschillende jaren bekeken.”

Gezien de politieke lading is het de vraag of de precieze oorsprong van het schubdiervirus en de relatie ervan met SARS-CoV-2 ooit worden opgehelderd. Schubdierbeschermers hopen de verdenking jegens schubdieren in elk geval te kunnen gebruiken om een einde te maken aan de meedogenloze illegale handel. Dit zou voor China een ingrijpende verandering betekenen in een eeuwenoude eetcultuur en medische traditie – de schubben zouden geneeskrachtig werken.

Volgens Nick Sun is die verandering mogelijk: „De Taiwanese bevolking bestaat vrijwel geheel uit Han-Chinezen. Vijftig jaar geleden was hier ook veel handel in schubdieren. In de jaren zeventig is de wildhandel verboden. Het duurde wel tien jaar voor het effect kreeg, maar nu worden er geen schubdieren meer geconsumeerd, zeker niet door de jongere generatie. Taiwan is daardoor de enige plek op aarde waar het Chinese schubdier nog gedijt. Het kost tijd, een hele generatie misschien, maar het kan.”

China wil zich ondertussen van zijn beste kant laten zien. Er worden allerlei publiekscampagnes gevoerd tegen het eten van schubdieren, aangezwengeld door buitenlandse ngo’s als WildAid. In augustus 2019 haalde de Chinese overheid al de schubdiermedicijnen uit het verzekeringspakket. Volgens Traffic, een ngo die de wildhandel in kaart brengt, is hiervan nog geen effect te zien op het volume van de handel. De coronacrisis lijkt wel enig effect te hebben. Woordvoerder Richard Thomas: „Er zijn berichten dat de Chinese opkopers van schubben in Gabon al zijn verdwenen. Maar dat kan natuurlijk tijdelijk zijn.”