Opinie

Verbod voor Joodse advocaten moest ruim worden uitgelegd

De advocatuur probeerde tijdens WO II door ‘mee te buigen’ zo goed mogelijk te blijven functioneren. Maatregelen tegen Joodse advocaten werden royaal uitgevoerd. Een nieuwe Togacolumn van Diana de Wolff.
Kruising hoek Prinsessegracht en Korte Voorhout in Den Haag. Dit restte van de Haagse rechtbank na bombardementen, rechts naast de Duitse kerk aan het Bleijenburg. Archiefbeeld uit 1947
Kruising hoek Prinsessegracht en Korte Voorhout in Den Haag. Dit restte van de Haagse rechtbank na bombardementen, rechts naast de Duitse kerk aan het Bleijenburg. Archiefbeeld uit 1947 ANP PHOTO VAN RIELD

Toen Nederland in mei 1940 capituleerde en de Duitse bezetting begon, kende de Nederlandse advocatuur ruim tweehonderd Joodse advocaten. Op grond van een namens Seyss-Inquart uitgegeven circulaire was het hun vanaf 1 mei 1941 verboden om nog op te treden voor niet-Joodse cliënten.
Lopende zaken moesten zij per direct overdragen aan niet-Joodse collega’s. Voor de praktijk van de Joodse advocaten in Nederland was dit desastreus en velen sloten hun kantoor. Met zaken van de cliënten die zij nog wel mochten bijstaan kon nauwelijks een praktijk worden gevuld. Zij werden ook in het nauw gedreven en vanaf het midden van 1942 zelfs op grote schaal opgepakt, op transport gesteld en de dood ingejaagd.

Ruim uitleggen

Protesteerde de organisatie van de Nederlandse balie destijds tegen dit beroepsverbod voor hun Joodse collega’s? Nee, de negentien dekens zagen protesteren als zinloos en besloten de circulaire te verduidelijken, zodat deze in alle arrondissementen uniform werd uitgevoerd. De verduidelijking door de dekens hield onder meer in dat het verbod om op te treden voor niet-Joodse cliënten ruim moest worden uitgelegd: ook advieswerkzaamheden vielen eronder, zelfs adviezen aan niet-Joodse advocaten ten behoeve van hun cliënten.
Aan associaties van Joodse en niet-Joodse advocaten waren, zo vond men, zodanige bezwaren verbonden, dat zij ernstig moesten worden ontraden. Joodse advocaten mochten geen niet-Joodse medewerkers meer in dienst nemen en andersom. Het werd Joodse advocaten ook verbonden om nog als curator in faillissementen op te treden of voor niet-Joodse partijen als gemachtigde in kantonzaken. Per 1 november 1941 werd het Joden verboden lid te zijn van verenigingen zonder economisch doel. Het bestuur van de Nederlandse Advocatenvereniging oordeelde onmiddellijk dat alle 91 Joodse advocaten die van die vereniging lid waren automatisch lid-af waren geworden, hoewel betwist kon worden dat de advocatenvereniging geen enkel economisch doel had.

Abonnement geschrapt

Enkele Joodse advocaten die nog hun abonnement wilden houden op het Advocatenblad, het tijdschrift van de vereniging, kregen nul op het rekest. De Amsterdamse Practizijns-Sociëteit, die onder meer een omvangrijke juridische bibliotheek had en door allerlei activiteiten de beroepsuitoefening van haar leden bevorderde, volgde het voorbeeld van de advocatenvereniging en schrapte het lidmaatschap van de 96 Joodse advocaten in Amsterdam. Dit ondanks het feit dat ook de diensten van de Practizijns-Sociëteit wel hadden kunnen worden geduid als van economisch belang. Zo werd het Joodse advocaten stap voor stap onmogelijk gemaakt hun beroep uit te oefenen en met collega’s samen te werken.

Over het merendeel van de advocaten heeft Joggli Meihuizen, de geschiedschrijver van de Nederlandse advocatuur tijdens de Tweede Wereldoorlog, geconcludeerd dat zij probeerden zo goed en zo kwaad te blijven functioneren door mee te buigen met de omstandigheden. Ongeveer honderd van de destijds 1.900 advocaten in Nederland waren ‘fout’ . Zij werden actief voor de NSB of het Rechtsfront, collaboreerden met de Duitse bezetter of gaven Joodse collega’s aan. Maar er waren ook vele moedige advocaten die zich bij het verzet aansloten, zoals de latere staatssecretaris Bert Haars en Floris Bakels, die over zijn gevangenschap in Natzweiler het boek Nacht und Nebel schreef. Veertig advocaten hebben hun verzet tegen de Duitsers met de dood moeten bekopen.

Kans op overleven

Recent onderzoek wijst uit dat 286 Nederlandse advocaten zich toelegden op het indienen van herzieningsverzoeken om Joden aan vervolging te laten ontsnappen door hen te laten ‘ariseren’. Ook dat was niet zonder risico. De herzieningsverzoeken steunden meestal op vervalste of verzonnen bewijsmiddelen.

Waar ruim 100.000 van de naar schatting 141.000 Joden in Nederland tijdens de bezetting werden omgebracht, hadden de Joodse advocaten een iets betere kans de Shoah te overleven. Zij waren over het algemeen geassimileerd en hadden meer contacten en middelen om langdurig onder te kunnen duiken. Enkelen lukte het zich zelf te laten ariseren. Niettemin, bijna de helft van alle Joodse advocaten in Nederland is tijdens de bezetting omgekomen. Gefusilleerd, in gevangenschap aan ontberingen bezweken of in de vernietigingskampen vermoord.

De Togacolumn wordt geschreven door een advocaat, rechter of officier. Diana de Wolff is advocaat en bijzonder hoogleraar advocatuur aan de UvA.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.