Opinie

Van de krappe naar de buffereconomie

Marike Stellinga

De grafiek van deze economische krimp wordt geen V, geen U, geen L, dit wordt een letter buiten ons alfabet. Ik kan de toekomst net zo min voorspellen als u, dus vergeef me dat ik hier even vrij filosofeer over wat er misschien wel komen gaat. Maar dit gevoel, een nieuwe letter buiten ons alfabet, kom ik vaker tegen in analyses over de economische gevolgen van het coronavirus. Het gevoel dat de kans verkeken is dat de coronacrisis een tijdelijke stilstand betekent voor bepaalde sectoren (reizen, uitgaan). Een kort coma waarna de economie grotendeels op oude voet verder kan, terugveert dankzij tientallen miljarden euro’s aan overheidshulp. Nee, je hebt van die economische klappen waardoor de samenleving voorgoed bespannen wordt met heel andere snaren (vrij naar Vasalis). Dit zou zo’n klap kunnen zijn.

Want de kans dat de economie lang op een andere manier moet functioneren is groot, nu een snelle oplossing uit zicht lijkt en we straks meer afstand houden. Ook als alles weer mag, is de vraag of mensen het nog zo willen. The Economist ziet dat in landen waar meer mag, de consumptie ook sterk daalt. In de ‘90-procent-economie’ die het blad ziet opdoemen, zal veel anders zijn. Die economie is kwetsbaarder (er is al veel verlies), minder innovatief (wie investeert in het aanzicht van zoveel onzekerheid?) en oneerlijk (de mensen met de slechtste banen en minste kansen zijn het vaakst de sjaak).

Het virus zou wel eens een einde kunnen maken aan de superefficiënte, alles ‘net aan’ economie. De coronacrisis laat de dunne marges zien waarop veel mondiale bedrijven worden gerund, becommentarieert de Financial Times. Precies genoeg voorraden, stipte leveringen, veel schuld, zo min mogelijk vast personeel dat zo maximaal mogelijk op een kluitje werd gepropt. De werkplek werd kleiner, de vliegtuigstoelen ook, in ziekenhuizen moesten zo min mogelijk bedden leegstaan, aldus een mooi stuk in The Atlantic.

Maar buffers zijn waardevol. Of het nou om voldoende ziekenhuisbedden en mondkapjes gaat, of om kapitaal, werkruimte en voorraden. Just in time moet veranderen in just in case, aldus de Financial Times. Van het proppen van mensen in vliegtuigen, fabrieken en kantoren en het aanhouden van zo min mogelijk voorraden of kapitaal, naar meer voorraden, meer ruimte, meer kapitaal. Van zo min mogelijk bedden onbezet naar: je kan er maar beter te veel hebben.

Dat kost meer, maar just in time en net genoeg past bij een voorspelbare wereld. De buffereconomie past bij onvoorspelbare dreigingen als een pandemie. En als bedrijven deze conclusie niet zelf trekken, is de kans groot dat overheden ze daar na deze crisis toe dwingen. Net als ze deden bij de banken na 2009: meer bufferkapitaal aanhouden alsjeblieft. We hebben geen zin nog een keer het bedrijfsleven op deze schaal te moeten redden. Dan maken we de weerbaarheid verplicht groter.

De buffer geldt ook voor overheidsbeleid. Nu beter te veel steun dan te weinig, zeggen economen. Maak je niet druk over enorme begrotingstekorten en snel stijgende staatsschuld. Wees de buffer voor de economie. Maar dan blijft de vraag: wordt het geld goed besteed? Economie en maatschappij dreigen een verandering te moeten doormaken. Maar de steun is nu gericht op de banen en bedrijven behouden die er al waren, niet op een nieuwe letter in het alfabet.

Marike Stellinga is econoom en politiek verslaggever. Ze schrijft elke week op deze plek over politiek en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.