Opinie

Sterke roman laat de toekomst al resoneren

Luuk van Middelaar

Actuele gebeurtenissen kunnen literair werk met nieuwe betekenis laden. Michel Houellebecqs roman Soumission (2015), over een sluimerende godsdienstoorlog in het Frankrijk van 2022, verscheen op de dag van de moordaanslag op Charlie Hebdo in Parijs: sindsdien kan het nog enkel in die samenloop worden gelezen. Iets dergelijks overkomt Orhan Pamuk dezer dagen met corona. Alleen komt de overrompelende gebeurtenis voor hem in zekere zin te vroeg.

Sinds vier jaar werkt de Turkse Nobelprijswinnaar (2006) aan Nachten van de pest, een roman gesitueerd in Istanbul in 1901, tijdens de builenpest die in Azië miljoenen slachtoffers maakte (en in Europa vrijwel geen). Vrienden, redacteuren en journalisten wisten ervan, dus wordt Pamuk al twee maanden over pandemieën aan zijn kop gezeurd, terwijl hij vast liever zijn boek afrondt. Toch kwam hij vorige week met een essay in The New York Times over grote „pandemische romans”. Het stuk biedt meteen een inkijkje in zijn werkplaats.

Pamuks literaire leidsman is niet de nu uit menig boekenkast opgediepte Albert Camus en zijn La Peste – ja ook ik heb mijn pocket uit 1998 gretig herlezen – maar de Engelse schrijver Daniel Defoe. Diens A Journal of the Plague Year, een getuigenis van de Londense pestuitbraak uit 1664, is naar Pamuks oordeel „het meest verhelderende literaire werk over besmetting en menselijk gedrag ooit”. Zo bericht Defoe dat lokale bestuurders het Londense dodental door pest lager wilden doen voorkomen door andere, verzonnen ziektes als doodsoorzaak te registreren. Paniekmanagement door statistische manipulatie, anno 1664.

Als het goed is zal Pamuks roman-in-wording over meer gaan dan een epidemie in 1901

Falende machthebbers trof Pamuk ook aan in De verloofden (1827), een roman van de Italiaan Alessandro Manzoni over de woede van de Milanese bevolking jegens het stadsbestuur tijdens de pest van 1630. De Milanese gouverneur liet een groot feest voor een prins ondanks waarschuwingen doorgang vinden, ongeveer zoals de Britse regering dit voorjaar de paardenraces van Cheltenham niet afblies. Bestuurlijke nonchalance toen en nu.

Uiteindelijk boeit romancier Pamuk vooral wat een ramp onthult over de menselijke conditie, onze angst voor lijden en omgang met de dood. Daar is hij eerlijk over. „Dankzij tv-beelden van mensen die buiten grote ziekenhuizen afwachten, zie ik hoe de rest van de mensheid mijn doodsschrik deelt en voel ik me minder alleen. [...] Het herinnert me aan een adagium over plagen en pandemieën: mensen die bang zijn, leven langer.” Ook observeert de schrijver hoe Turkse moslims vandaag minder „fatalistisch” met quarantaine omgaan dan vroeger. Hoe dit in Pamuks roman uitpakt, zullen we zien.

In elk geval roept de voorbeschouwing een gelatener sfeer op dan – als het mag – La Peste. Ook Camus legt de vinger op de onderschatting van de ziekte door bestuur en burgers, maar hij keert individuele aanvaarding van het lot richting handeling. De blik gaat naar moed en (onuitgesproken) heldendom.

De „gezondheidsbrigades” die hoofdpersoon dokter Rieux leidt in het door de pest getroffen Oran hebben veel van een verzetsbeweging in een oorlog. Toen het boek in 1947 uitkwam, zullen Franse lezers dit zo hebben opgevat, te meer daar de auteur vooral bekend was als journalist van de verzetskrant Combat. Camus ging de analogie pest-nazisme zelf niet uit de weg. Toch maakte hij al in 1938 notities voor dit boek, toen van oorlog noch verzet sprake was. Vooruitziende blik of dwingende resonantie van latere gebeurtenissen?

En Orhan Pamuk? Hij dacht een boek over de pest te schrijven, maar het zal een coronaroman blijken. Als het sterk genoeg is, zullen ook latere gebeurtenissen er ooit in meeklinken.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht (Leiden).

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.