Schrijver Alfred Birney: „Op een dag kreeg ik helemaal niemand op bezoek, maar dan ook echt helemaal níemand, en dan voel je je wel volkomen verlaten.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Interview

‘Ik stop met schrijven’, zei Alfred Birney. ‘Nee!’ zei z’n redacteur

Alfred Birney De prijswinnende schrijver Alfred Birney was klaar met „die stomme boeken”. Zijn hartaanval – dát hield hem bezig. Dus ging hij daarover schrijven. Toen kwamen echt „álle frustraties” naar boven.

De nieuwe roman van Alfred Birney (68) heet In de wacht en leest als een vervolg op De tolk van Java uit 2016, dat over het leven van zijn gewelddadige vader gaat. Een bestseller, Birney kreeg er de Libris Literatuur Prijs voor, het boek was zijn doorbraak. Deze keer ligt Birney’s alter ego, Alan Noland, in een Haags ziekenhuis te wachten op een openhartoperatie en hij denkt, en denkt, en denkt.

„Het begon ermee”, zegt Alfred Birney in een Skypegesprek, „dat ik verleden jaar mijn redacteur bij de uitgeverij belde en zei: ik hou op met schrijven. Wat? Ja, stuur maar een persbericht rond: Birney houdt ermee op. Die stomme boeken, ik ga gitaar spelen. Nee! Blijf schrijven! Goed, ik weer proberen, twintig bladzijden, hm, nee. Maand later, weer proberen, twintig bladzijden, niks. Het probleem was: het ging niet goed met me. Heel veel dromen over de dood, herinneringen aan de operatie die ik in 2017 had ondergaan, angsten. Ik dacht: als ik dan moet schrijven van mijn redacteur, dan kan het alleen maar daarover gaan.

Ik scheld op ouderen, jongeren, op witten, zwarten, op mijn vader, moeder, dokters, op eh… op wie scheld ik nog meer?

En ik dacht: dan ga ik terug naar 2006, toen ik mijn eerste hartaanval had en drie weken in het ziekenhuis lag. Dat verplaats ik naar 2011, want toen was ik zestig, mooie leeftijd. Ik vermeng het met mijn ervaringen uit 2017 en dan heb ik een verhaal. En nu komt het.” Hij lacht alsof hij een grap gaat vertellen. „Terwijl ik zit te schrijven komen álle, maar dan ook werkelijk álle frustraties waar ik mee rondloop naar boven. Ik scheld op ouderen, op jongeren, op witten, op zwarten, op mijn vader, op mijn moeder, op dokters, op psychiaters en psychologen, op de farmaceutische industrie, op eh… Waar scheld ik nog meer op?”

Je schrijft ook over je zorgen.

„Dat is waar. Vooral de zorgen over mijn zoon. Verschrikkelijk. Je ligt in het ziekenhuis met een hartinfarct en je kunt er niet meer zijn voor je zoon. In 2006 was hij veertien, in 2011 negentien en in 2017 vijfentwintig, en dat hij toen wat eh… minder vaak bij me langskwam dan ik had gewild, verplaats ik dus naar 2011. En dat het in 2017 heel wat slechter met me gesteld was dan in 2006 verplaats ik ook naar 2011. In 2017 was het erop of eronder, hè. Mijn borstbeen moest worden opengezaagd. Zo zeggen ze dat tegen je: we gaan je borstbeen openzagen. En dan lig je daar maar te wachten tot ze tijd voor je hebben, volkomen hulpeloos, je denkt aan je zoon, je bent er altijd geweest voor hem, hij kon altijd bij je komen, op woensdag, in het weekend, en nu eh…”

Kwam hij niet.

„Nou ja, soms.” Hij lacht weer alsof hij een grap gaat vertellen. „Op een dag kreeg ik helemaal niemand op bezoek, maar dan ook echt helemaal níemand, en dan voel je je wel volkomen verlaten. Ik heb in het ziekenhuis kennisgemaakt met het gevoel dat je er helemaal niet meer toe doet.”

Een insect dat elk moment kan worden opgeveegd.

„Dat schrijf ik, hè. Haha. Het insect waarin Gregor Samsa is veranderd als hij op een ochtend wakker wordt. Uiteindelijk veegt de werkster hem op. Hij heeft zijn bewustzijn en zijn persoonlijkheid nog, maar zijn menswaardigheid is hij verloren. Ik denk dat Kafka dat ermee bedoelde. Je ligt in het ziekenhuis en niemand die die dag op het idee komt om even bij je langs te gaan.”

Die eenzaamheid spreekt ook uit je dagboek dat vorig jaar gepubliceerd is.

„O ja? Je bedoelt Niemand bleef? Het Dagboek van Meneer B.?” Hij is even stil. „Dat gaat over de jaren 2005 tot 2011, hè. Ik heb het wel doorgelezen voor het gepubliceerd werd en er hier en daar wat uitgehaald, want het mocht niet te dik worden, maar dat het over eenzaamheid gaat, dat herinner ik me niet zo. Nou ja, het is wel het dagboek van een eenzame man, ja. En die eenzaamheid zit ook in De tolk van Java, toch? In het deel waarin ik mijn kinderjaren beschrijf. Geweld, maar ook eenzaamheid. Het is wel een thema van me, geloof ik.”

Lees ook de recensie van De tolk van Java

Hoe vind je zoon het dat je in je nieuwe boek over hem schrijft?

„Ik denk dat hij niet eens weet dat dit boek nu uitkomt. Ik heb hem al eh… Hoe lang heb ik hem niet gezien? In elk geval dit jaar nog niet. Hij zit in een periode waarin hij zijn vader niet nodig heeft. Ik weet niet wat hij doet en hoe het met hem gaat. Ik ben bang dat hij nog steeds gameverslaafd is en veel blowt, zoals veel van zijn leeftijdgenoten. Die hele generatie lijkt wel hooked aan games en blowen. Maar wacht even, vlak voordat het coronavirus uitbrak heb ik mijn zoon nog gemaild. Heb je zin om te komen spelen op mijn boekpresentatie? Als dit boek gepresenteerd had mogen worden, dan was hij wel gekomen, hoor, met zijn gitaar. Hij zou ook meegaan naar de uitreiking van de Littéraire Prijs van Sociëteit De Witte, voor dat Dagboek van Meneer B. Ik zou een pak met hem gaan kopen, weet je wel, haha, en dan zouden we sjiek naar de sociëteit gaan. En een heel enkel keertje ontvang ik opeens een appje van hem, en dan schrijft hij, wacht even…” – Alfred Birney zoekt op zijn telefoon – „…o ja, hier. Ik vergeet altijd alle verjaardagen, mijn zoon nooit, en op 29 maart appt hij: hé, pa, gefeliciteerd met Noa. Noa is mijn dochter die ik nog bijna nooit gezien heb. Ik schrijf: o ja, vergeten… bla, bla, bla, enzovoort. En dan schrijf ik: hou je het een beetje uit in isolatie daar? Hij: haha, je hebt me je hele leven lang hiervoor getraind. Hm, ja. Eigenlijk heeft hij mij altijd maar zien schrijven en binnen zien zitten. Ik ben voor hem de vader die schrijft en binnenzit. Dat is wel confronterend, hoor, als ik dat zo lees. En dan schrijf ik: of ga je gewoon naar buiten? Hij: neehee, met een smiley. Ik: shit, is het mijn schuld? Hoor ik niks. Speel je nog gitaar? Weer niks. Game je nog? Weer niks. Hebben de buren last van je gitaar? Hij heeft namelijk net een nieuw huis gevonden via zijn moeder. Ah, een antwoord: tot zover niet. O, denk ik dan, hij speelt in ieder geval nog wel gitaar. Verder weet ik niets. Niet hoe het met hem is, niet hoe het op school gaat. Nou ja, de scholen zijn nu gesloten. En zijn leraar gaat met pensioen. Dat is die beroemde flamenco-gitarist Paco Peña.”

Je schrijft ook over de moeder van je zoon, en niet heel aardig.

„Dan ben ik wel een beetje aan het overdrijven, hoor. Als ik het over mijn exen heb, overdrijf ik gewoon een beetje, weet je wel. Dan ben ik echt wel aan het fictionaliseren. Maar over mijn zoon, hoe hij in handen valt van de hulpverlening, hoe dat gaat en wat ik daarover schrijf, dat is wel echt. Zo was het wel. Ik vind dat toch wel heel erg veel jonge mensen een stempel krijgen van asperger of autisme of ADHD of borderline. Er zijn bijna geen mensen van vijfentwintig meer die geen diagnose hebben. Ze moeten allemaal aan de medicijnen, en dat is iets, daar maak ik me nog drukker over dan over raciale of racistische dingen. Dat zit me echt hoog. Mag je dan helemaal niet meer afwijken? Okay, ik ben uit de hippietijd, ik ben een boomer, en wij overdreven ook wel een beetje, eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Alles was best. Als je niet werkte, nou, dat was goed. Ik ben o.k. Jij bent o.k., dat boek van Thomas Harris, weet je wel. Je had ook die boeken van de anti-psychiaters, Jean Foudraine en zo, ik heb ze hier” – hij wijst naar de boekenkast achter hem – „nog allemaal staan. Okay, er zijn natuurlijk mensen die wél opgenomen moeten worden of die wél medicijnen nodig hebben, maar nu, het is bijna alsof er bijna alleen nog maar patiënten zijn, alsof ze gecreëerd worden. En de farmaceutische maffia verdient er verschrikkelijk veel geld mee.”

Je schrijft dat je zelf vanaf je twintigste ook zware medicijnen kreeg.

„Melleril en lithiumcarbonaat, ja. Hoe zwaar dat spul is, daar kwam ik pas achter toen Ivan Wolffers met zijn boek over medicijnen kwam, wat die met je doen. Ik was een jaar of vijfentwintig en ik werkte als uitzendkracht bij een ziekenfonds, een kantoorbaantje, en daar lag dat boek. Ik bladeren, ik schrok me het lazarus. Melleril, daar zijn mensen aan doodgegaan, en lithiumcarbonaat, dat geven ze aan mensen die volkomen… nou ja, aan echte, pure psychiatrische patiënten. Ik heb die pillen weggegooid. Daar schrijf ik ook over, hè, in mijn nieuwe boek. Het gaat over heel veel, dat boek, haha. Ik schop en sla en mep maar om me heen, en het leuke is” – hij verslikt zich nu bijna van het lachen – „dat ik dus een hartpatiënt ben. Ik mág me helemaal niet zo druk maken! Ik zag het pas toen ik de drukproeven moest lezen. Ik dacht: dat is ook eigenaardig, die man is hartpatiënt en ligt zich verschrikkelijk druk te maken. Ik moest er wel om lachen. Ik hoop dat de lezer er ook om kan lachen. Er zitten wel wat grapjes in dat boek, vind je niet?”

Je hebt In de wacht snel geschreven.

„Ja, dat is best raar gegaan. Ik had het schrijven twee keer opgegeven, en toen begon ik eraan in maart 2019. In juni had ik een kladje. Mijn redacteur vroeg of hij het mocht lezen. Ik zei: nee, joh, laat me nou. Ik stuurde het hem toch op en de uitgeverij zwaaide meteen met een contract. Ik moest dit en ik moest dat, en ik zei: nee, nee, nee, ik ben nog niet in orde, fysiek ben ik niet in orde, ik ben nog aan het herstellen, ik kan niet op een deadline schrijven. En toen stond het toch opeens al aangekondigd in de folder. Ik was heel boos, dit was de afspraak niet. Nou ja, lang verhaal kort, begin dit jaar had ik de derde versie af en nu is het boek er. Ik ben nog steeds verbaasd.”

Je hartaanval in 2017, had die te maken met je plotselinge succes?

„Nee, ik denk dat ik mezelf de vernieling in heb geschreven met De tolk van Java. Met dat boek ben ik dertig jaar bezig geweest. Dat gesprek met mijn moeder in het begin was al uit 1986. Toen ben ik haar gaan interviewen. Jarenlang heb ik heel veel over de oorlog in Indonesië gelezen en ik had natuurlijk dat pak papier van mijn vader met zijn memoires. In 2011, 2012 dacht ik: nu moet ik toch eens dat boek gaan schrijven dat ik altijd heb willen schrijven en toen ben ik heel hard aan het werk gegaan. Alles kwam naar boven, alle emoties, alle herinneringen, al die dingen die ik niet eens heb opgeschreven omdat ze te krankzinnig waren, de lezer zou ze niet geloven. De tolk van Java kwam uit in 2016 en daarna lag ik uitgeput op de bank. Ik naar de dokter. Moet mijn hart niet eens worden nagekeken? Maar de dokter was nogal van laissez-faire. Hij zei: ga maar wat fietsen. Fietsen? Ik heb een fietstest nodig! Ik wil een fietstest! Een jaar later kreeg ik die prijs, en dat gaf me zo’n kick dat ik op mijn adrenaline ben gaan toeren. En dan ben je verkeerd bezig, hè. Maar ik had het niet in de gaten. Ik vond het zo leuk, joh. Je boek staat opeens op nummer 1 en de uitgever laat je in een auto met chauffeur een grand tour door Nederland maken. Het publiek! Het applaus! Je wordt uitgenodigd door Máxima en Willem-Alexander, al heb ik die afspraak moeten afzeggen omdat ik die dag voor mijn hernia naar het ziekenhuis moest. En toen, op een nacht… Ik weet niet eens of dat in het nieuwe boek staat. Heb jij gelezen hoe het begon, die hartaanval?”

Je schrijft dat je om een uur of acht alle lampen aandoet om de spoken te verjagen.

„Dat was in werkelijkheid in 2006. In 2017 begon het op een avond in oktober om een uur of twaalf. Ik ga zweten en ik durf niet te gaan slapen. Ik voel me helemaal niet goed, pijn onder mijn linkeroksel. Ik denk: ik zal het toch niet aan mijn hart hebben? Ik zet thee, ik probeer te lezen en ik denk: als ik me om vier uur nog zo voel bel ik de ambulance. Om vier uur denk ik: vijf uur. Om vijf uur denk ik: zes uur. Om zes uur heb ik gebeld. Ze zeiden: ga beneden op de drempel van je voordeur zitten. Toen ik daar zat heb ik nog maar even een sigaretje opgestoken, haha. In het ziekenhuis bleek dus dat het toch wel heel ernstig was. Na de operatie heb ik heel veel moeten fietsen om weer bij te komen. Ik zit in mijn derde jaar en begin me nu pas weer goed te voelen.”

En nu hebben we corona.

„De afgelopen weken durfde ik niet naar buiten, want je gaat toch denken dat het virus door de lucht zweeft. En dan al die racefietsers die je in je mond kunnen hijgen. Maar dat binnenzitten begint me wel een beetje op te breken. Ik ging net naar beneden om de brievenbus te legen, de uitgever had me de eerste paar exemplaren van In de wacht opgestuurd, en ik kwam hijgend weer boven. Mijn conditie is die van een tachtigplusser. Dus ik heb besloten dat ik weer ga fietsen. Ik heb zelf een mondkapje gemaakt, met keukenpapier erin.”