Opinie

Geen makke lammetjes

Hoeveel kans kregen Nederlandse Joden tijdens de bezetting om zich te verzetten tegen de Duitsers, vraagt Martijn Katan zich af.

Martijn Katan

De Joodse Genealogische Kring vroeg zijn leden om korte biografieën van Joden die actief waren geweest in het verzet. Toen ik inventariseerde wie van mijn familieleden verzetswerk had gedaan kwam ik op elf. Ik heb van acht van hen biografieën ingeleverd, twee moeten nog en één doet iemand anders. Ruw geschat deed aan mijn vaders kant een kwart van de mannen van zijn generatie illegaal werk. Is dat representatief voor het aandeel van Joden in het verzet?

De historicus Presser schreef dat door de Duitsers het verzet door joden evenzeer is overschat als het door niet-Joodse Nederlanders is onderschat. Die Duitse overschatting was een bewuste politiek; ze dikten de rol van Joden in het verzet aan als argument voor de vervolging. Een voorbeeld is het proces tegen de verzetsgroep CS-6, die landverraders en collaborateurs had geliquideerd. De Duitsers presenteerden daarbij „de halfjood Hans Katan” als „brigade-commandant van een levensgroote geheime moord- en sabotagecentrale”. In werkelijkheid was Hans leidend in CS-6, maar, niet dé leider. Ook de rol van „de voljoodsche Leo Frijda” werd benadrukt. Ze wisten niet dat een van de vrouwelijke militanten in CS-6, Reina Prinsen Geerligs, een Joodse moeder had. Anders hadden ze dat ongetwijfeld ook beklemtoond.

Iets vergelijkbaars gebeurde bij het showproces tegen de militaire verzetsorganisatie OD, die spionage, sabotage en enige liquidaties op zijn naam had. De kranten moesten van de bezetter benadrukken dat maar liefst 10 procent van de aangeklaagden Joden waren. Emile Katan was een van hen. Hij werd ter dood veroordeeld omdat hij tot het ‘kader’ van de OD werd gerekend, maar misschien ook omdat hij een Jood was.

Opgespoord en opgepakt

Van niet-Joodse Nederlandse zijde werd en wordt regelmatig gesteld dat de Joden zich juist niet hebben verzet. Vorig jaar bijvoorbeeld had senator Beukering het over „makke lammetjes” en „heel weinig verzet”. Is dat dichter bij de waarheid dan de voorstelling die de Duitsers in de oorlog gaven?

Daarvoor moeten we eerst kijken hoeveel kans Joden kregen om zich te verzetten. De bevelen voor de vervolging kwamen van de Duitsers, maar de Joden werden vooral opgespoord en opgepakt door de Nederlandse overheid. Die werkte mee uit terechte angst voor de consequenties van ongehoorzaamheid. Ook overzagen ze niet goed wat de consequenties waren van hun medewerking, want de Jodenvervolging was met grote sluwheid gepland en het werkelijke doel werd goed verhuld. Verder waren er nogal wat burgemeesters, ambtenaren en politieagenten vervangen door nationaal-socialisten. Hoe dan ook, het alomtegenwoordige staatsapparaat werkte zo effectief mee aan registratie en deportatie dat er moeilijk aan viel te ontsnappen, met name voor de massa van arme Joden die geen geld hadden voor valse papieren, reizen en levensonderhoud en die niemand kenden buiten hun kringetje van Joodse buren en familie. Ze kregen van de burgemeester te horen dat het onnodig en gevaarlijk was je te onttrekken aan de ‘werkverruiming in het Oosten’, het gemeentehuis leverde de namen en adressen, de politie haalde ze op en het gemeentevervoerbedrijf en de NS brachten ze naar het station en naar kamp Westerbork. Daar werden ze bewaakt door de Nederlandse marechaussee. Ze waren kansloos.

Geïntegreerd in de samenleving

In de Joodse middenklasse was verzet echter wijd verbreid. Ben Braber concludeert in een grondige studie dat relatief veel jonge Joden uit de sociale middengroepen deelnamen aan de illegaliteit, mede omdat ze goed geïntegreerd waren in de Nederlandse samenleving. Dat klopt met mijn verwanten. Ze kwamen uit families van winkeliers en onderwijzers, daardoor hadden ze wat spaargeld en nog belangrijker: ze hadden niet-Joodse vrienden en relaties.

Mijn eigen ouders zijn daarvan een voorbeeld. Toen in de zomer van 1942 de deportaties eraan kwamen mochten ze met hun Jodenster al nergens meer komen, maar mijn vader had een niet-Joodse zakenvriend die voor hem twee persoonsbewijzen stal uit de kleedkamer van V&D in Dordrecht. Mijn vader voorzag die van pasfoto’s van hemzelf en van mijn moeder. (Later werd zijn specialiteit in de ondergrondse het vervalsen van Ausweise waarmee mensen vrijstelling konden krijgen van dwangarbeid in Duitsland). Van een niet-Joodse buurman hoorden ze over een huisje in Brabant waar ze naartoe konden, en ze hadden genoeg geld gespaard om het een tijdje uit te zingen. Mijn andere tien familieleden in het verzet hadden elk hun eigen verhaal, maar contacten in de niet-Joodse wereld waren altijd belangrijk.

Naamloos verdwenen

Ten slotte moeten we bij het schatten van de omvang van het Joodse verzet meewegen dat veel Joodse verzetsstrijders de oorlog niet hebben overleefd en naamloos zijn verdwenen. Doordat ze hun identiteit altijd diep verborgen hadden gehouden wist na de oorlog niemand dat de omgekomen verzetsman een Jood was geweest.

Mijn familieleden voorzagen onderduikers van papieren en geld, brachten geallieerde soldaten in veiligheid en liquideerden gevaarlijke verraders. Dat was verbazingwekkend, maar niet uitzonderlijk; van de Joden die de middelen hadden om aan het Duitse sleepnet te ontsnappen hebben velen vergelijkbare prestaties geleverd. Mensen blijken onder extreme omstandigheden ongedacht heldendom te kunnen ontplooien.

Martijn Katan is biochemicus en emeritus hoogleraar voedingsleer aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voor bronnen en cijfers zie mkatan.nl.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.