Een virtuele dokter is beter dan helemaal geen dokter

Zorg op afstand Door het coronavirus lopen de wachtlijsten in de zorg alarmerend op. Ziekenhuizen werkten al een beetje met e-health, maar dat was toch vooral iets „van een klein clubje artsen”. Nu omarmen ze het noodgedwongen.

Illustratie Roland Blokhuizen

Ed de Kluiver, voorzitter van Isala Hartcentrum in Zwolle, heeft zitten rekenen. Als hij niet ingrijpt, is er dit jaar voor zo’n 19.500 patiënten geen plek meer in de polikliniek van het Hartcentrum.

Wekenlang ging een groot deel van de aandacht, menskracht en het materiaal uit naar coronazorg. Daardoor kwamen er elke week duizend hartpatiënten op de wachtlijst bij voor afspraken en onderzoeken zoals CT-scans. Nu de epidemie enigszins is ingedamd, zijn de problemen niet weg. Het ziekenhuis moet de aandacht verdelen tussen coronazorg en niet-coronazorg, waarvan veel is blijven liggen. Radiologen zijn drukker vanwege de vele longscans, verpleegafdelingen en intensive cares blijven deels bezet met coronapatiënten. En dan is er nog het verplichte afstand houden. Een uitpuilende wachtkamer, dat kan niet meer.

De Kluiver probeert met e-health – zorg op afstand – zoveel mogelijk patiënten die niet in het ziekenhuis terechtkunnen toch door artsen in de gaten te laten houden. „Sommige patiënten kwamen om de zoveel tijd langs voor controles van onder meer de bloeddruk. Het scheelt al enorm als ze op grote schaal zelf thuis zulke metingen kunnen doen.”

Artsen zien e-health, ook wel telegeneeskunde genoemd, als een manier om meer mensen te kunnen helpen met minder ziekenhuisbezoeken. Veel patiënten en artsen beschouwen het ziekenhuis vanwege corona als een minder veilige plek voor kwetsbaren. Ziekenhuizen zien bovendien een ‘stuwmeer’ aan uitgestelde patiëntenzorg ontstaan. Medio april bleek dat bijna 300.000 geplande behandelafspraken in ziekenhuizen sinds begin maart niet zijn doorgegaan. Daarnaast waren er in dezelfde periode ruim 300.000 minder doorverwijzingen door huisartsen dan een jaar eerder.

Een voorbeeld van een ziekenhuis dat zich op e-health stortte, is het Wilhelmina Ziekenhuis Assen (WZA). Het stuurde duizenden sms’jes naar patiënten met de vraag of ze zich willen aanmelden bij het Nederlandse bedrijf BeterDichtbij. Via deze dienst houden artsen videoconsulten en kunnen patiënten waarden zoals hun bloeddruk doorgeven.

„Voor de crisis begon, hadden wij tweeduizend actieve chatgesprekken lopen tussen artsen en patiënten”, zegt Michiel Menkveld, ‘zorgtransformatiemanager’ bij het WZA. „Nu zijn dat er 12.500. Er wordt heel gretig gebruik van gemaakt.”

Onvervulde belofte

Ook technologiebedrijf Philips zegt ineens beduidend meer interesse te merken in e-health. Een voorbeeld is de samenwerking met het Gelderse ziekenhuis Rijnstate. Binnenkort meet dat bij ontslagen coronapatiënten hartslag en ademhalingsfrequentie thuis met een sensor.

E-health was lange tijd een onvervulde belofte binnen de zorg. Ziekenhuizen draaiden afgelopen jaren veel pilots, maar de meeste stierven een stille dood. Zo bleek dat e-health, als het niet écht een belangrijk vast onderdeel wordt van de zorg, juist leidt tot toename van werkdruk, in plaats van afname. Als je het half doet, werkt het niet.

Het ministerie van Volksgezondheid hoopt al jaren dat e-health problemen helpt oplossen, zoals het personeelstekort. Ook verzekeraars geloven erin. „Ze zeggen: waarom kan digitalisering in alle andere sectoren wel, en in de zorg niet?”, zegt Lucien Engelen, expert in digitale zorg bij onder meer Deloitte.

In 2014 kwam toenmalig minister van Volksgezondheid Edith Schippers (VVD) met een doelstelling. Uiterlijk in 2019 zou driekwart van de chronisch zieken en kwetsbare ouderen zelfstandig metingen moeten kunnen uitvoeren, bijvoorbeeld van hun bloeddruk. Een zorgverlener op afstand zou de gemeten gegevens in de gaten moeten houden.

We zijn jaren zwanger geweest van digitale zorg, en door deze pandemie komt het met een keizersnede op de wereld

Lucien Engelen expert digitale zorg

Het liep anders. Vorig jaar bleek uit een studie van onderzoeksinstituut Nivel dat vier op de tien mensen met een chronische aandoening zelf gezondheidswaarden meet. Van die groep stuurde maar 8 procent de waarden digitaal door naar de zorgverlener.

„Digitale zorg was lang iets van een klein clubje artsen in Nederland”, zegt Engelen. Sinds corona is dat anders, merkt hij. Dagelijks krijgt hij verzoeken om advies over e-health. „We zijn jaren zwanger geweest van digitale zorg, en door deze pandemie komt het met een keizersnede op de wereld. Ik denk dat we over tien jaar achteruitkijken en zien: dit was het tipping point.”

Artsen zoals De Kluiver in Zwolle realiseren zich namelijk dat het coronavirus nog lang niet weg is. En vóór corona dreigde er al een probleem door vergrijzing. „We krijgen langdurig een substantieel capaciteitstekort”, zegt hij. „Dat vraagt om onorthodoxe keuzes en afwijken van de officiële richtlijnen. Patiënten met een risico op hartritmestoornissen en een interne defibrillator kunnen we bijvoorbeeld door drukte niet steeds in het ziekenhuis op controle laten komen zoals voorheen. Toch is dat verantwoord, aangezien we hen thuis kunnen monitoren.”

Kans op infecties

Het hartcentrum van het ziekenhuis behoort tot de weinige plekken waar e-health al wel vaste voet aan de grond had gekregen. De Kluiver is er ook los van corona voorstander van. „Ziekenhuisopnames bij oudere patiënten leiden vaak tot een blijvend verminderde psychische of fysieke conditie. Bovendien is er een kans op ziekenhuisinfecties; corona heeft dat argument kracht bijgezet.”

Al in 2005 begon het hartcentrum een pilot waarbij bijvoorbeeld intensivecareverpleegkundigen de patiënt met hartfalen thuis bezochten, mits binnen 30 kilometer van het ziekenhuis. Ze hadden dan een apparaat bij zich om hartfilmpjes te maken, en bloeddruk-, zuurstof- en koolstofdioxidemeters. De uitslagen gingen digitaal naar het ziekenhuis. Later werden ook patiënten met bijvoorbeeld longembolie thuis ‘opgenomen’.

Nu krijgen veel mensen die uit het hartcentrum worden ontslagen zelf apparaten mee. Een weegschaal, bloeddrukmeter, hartritmemeter en zuurstofmeter. „We kunnen ze niet allemaal controleren op de polikliniek”, zegt De Kluiver. „Maar de berichten die ze sturen, lezen we dagelijks. Het is in sommige gevallen suboptimaal, maar beter dan dat we ze helemaal niet zien.”

Anderhalvemeterziekenhuis

Voor de coronacrisis zat de wachtkamer van het Hartcentrum van het Hagaziekenhuis in Den Haag meestal vol. Mensen zaten schouder aan schouder. „Ik denk niet dat ik dat fenomeen komend jaar weer ga zien”, zegt cardioloog Wilco Tanis.

Ook Tanis probeert minder patiënten naar het ziekenhuis te laten komen. Een CT-scan van de kransvaten, bijvoorbeeld, kon voorheen pas worden aangevraagd als een patiënt bij een cardioloog op consult was geweest. Nu kunnen huisartsen deze scans in overleg met de cardioloog rechtstreeks aanvragen. „Als de uitslag niet goed is, laat ik de patiënt meteen naar de polikliniek komen”, zegt Tanis. „Maar als het wel goed is, dan heeft de patiënt niet in de wachtkamer hoeven zitten.”

We worden nu gedwongen scherpere keuzes te maken, zegt Alexander Sluijmer, gynaecoloog in het Wilhelmina Ziekenhuis Assen. „Driekwart van de stoelen uit onze wachtkamer is weggehaald.” Vóór de crisis had zijn vakgroep zoiets van: een goed gesprek is alleen mogelijk als iemand voor je zit. Die gedachte hebben ze nu losgelaten, omdat het digitaal vaak ook goed blijkt te kunnen.

Neem de uitslag van een uitstrijkje van de baarmoeder. „Vooraf vraag ik nu: wil je de uitslag in het ziekenhuis of via beeldbellen, ook als die niet goed is?”, zegt Sluijmer. „Thuis kunnen ze zich laten omringen door dierbaren, in het ziekenhuis worden ze vanwege het virus gevraagd alleen te komen.”

Sommige afspraken wil hij wel nog graag in persoon doen. Zoals bij de uitleg van een ingewikkeld behandeltraject, omdat hij vaak plaatjes laat zien of op het bord tekent om het begrijpelijker te maken. Andere afspraken kunnen simpelweg niet thuis, bijvoorbeeld voor een echo. „Een ongeboren kind kun je niet door telefoongesprekken met de moeder monitoren”, zegt Sluijmer.

Op de uitnodiging voor zorg op afstand kreeg het ziekenhuis een paar handgeschreven brieven terug

Het WZA zal ook na corona veel van de e-health waar het nu mee werkt blijven toepassen, zegt transformatiemanager Menkveld. „Maar niet alles. We zien nu te rigoureus bepaalde patiëntengroepen niet.”

Dat gevoel heeft De Kluiver uit Zwolle ook. Een voorbeeld: een pacemaker inbrengen gaat bijna altijd goed. Toch krijgt een op de honderd à tweehonderd mensen een wondinfectie. „Als wij mensen minder in het ziekenhuis zien voor controle”, zegt De Kluiver, „zijn we afhankelijker van hoe alert ze zelf zijn op complicaties.”

Een ander probleem is dat telemonitoring niet voor iedereen eenvoudig is. „Op onze uitnodigingen voor BeterDichtbij kregen we een aantal handgeschreven brieven terug”, zegt Menkveld. „Het lukt mij niet, schreven ze, ik heb geen computer. We waren toch blij dat 70 procent van de patiënten die we uitnodigden er gebruik van maakte”.

Sluijmer zegt over digibeten: „Sommigen zal het inderdaad nooit lukken. Maar mijn moeder is negentig en zei aan het begin van de uitbraak: ‘Ik begin absoluut niet aan beeldbellen.’ Nu doet ze het elke dag.”