Opinie

Een heerlijk beroep

Marcel van Roosmalen

Gisteren belde mijn tandarts, hij heet Auw, wat ik voor een tandarts een prachtige naam vind. Hij is een geweldige tandarts, maar dat doet er niet toe, hij vormde slechts de aanleiding voor dit stukje. Hij had een gat in de planning. Kon ik komen? Want ja, ze draaiden weer.

Natuurlijk draaien ze weer.

Het meten met twee maten moet sommigen tot wanhoop drijven: kappers, nagelstylisten, tatoeëerders en horecagelegenheden zitten potdicht, fysiotherapeuten mogen alleen acute zorg op afstand verlenen, bejaarden worden rücksichtslos opgesloten, maar tandartsen en mondhygiënisten, beroepen waarbij je je toch kunt voorstellen dat het virus dichtbij komt, zijn weer in bedrijf.

Want anders, kraaiden ze als een van de eersten, gingen ze failliet.

Het was dat ik toen andere dingen aan mijn kop had, bijvoorbeeld of ik ’m boven water zou houden, maar anders had ik er de humor wel van ingezien. Tandartsen die zich zorgen maken over hun inkomen, het is een beetje Qatar dat klaagt over teruglopende olie-inkomsten.

Alle tandartsen hebben twee auto’s en meerdere huwelijken, ze wonen in villa’s en gaan nooit in eigen land op vakantie. Het is heerlijk om tandarts te zijn: op alles zit een winstmarge. De slimmeriken doen er implantaatjes bij en anders is er nog altijd het röntgenapparaat, de consequent uitkerende Random Runner. Geen idee wat zo’n ding kost maar je haalt het er gegarandeerd uit met minimaal een keer per jaar een fotootje rechts en een fotootje links, maal vijftien euro per foto, maal duizend patiënten. De wat grotere praktijken hebben ook altijd mondhygiënistes – het zijn bijna altijd vrouwen – die per stuk goed zijn voor duizenden euro’s extra omzet per jaar.

Tandartsen vallen nooit om, geen beroepsgroep die zo goed voor zichzelf op kan komen. Natuurlijk staan zij vooraan als de regels versoepeld worden. Het is niet dat ik ze hun voorkeursbehandeling misgun, het is een constatering. Horecamensen zouden eens wat vaker naar de tandarts moeten gaan en dan niet alleen om de boel te laten bleken, maar om te leren hoe je de gaatjes vult. Het is het menstype. Als tandartsen de restaurants en theaters hadden gerund, zat een groot deel van ons vanavond gewoon ergens een hapje te eten voor de voorstelling.

Ik moedig mijn dochters nu al aan om later tandarts te worden. De jongste van drie heeft aanleg: ze is slim en heel precies en het deert haar niet als haar zusje pijn heeft, daar geniet ze in stilte zelfs een beetje van, maar als ze zelf ergens een pijntje heeft, gilt ze het uit.

Gek genoeg trap ik daar altijd in.

Even later zit ze dan weer tevreden te spelen.

Ze is al tandarts.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.