Opinie

Door corona kan Poetin even niet pronken met het verleden

Dwingt de coronaramp het Kremlin nu wat minder obsessief met de geschiedenis om te gaan, vraagt Hubert Smeets zich af.

Hubert Smeets

Zaterdag 9 mei had de beste dag uit het politieke leven van president Poetin moeten worden. De overwinning op nazi-Duitsland in 1945 zou groter dan groots worden herdacht. Onder druk van de coronapandemie moest hij de parade voor het mausoleum tot nader order afgelasten.

Dat is een domper voor het Kremlin. Alles heeft het uit de kast gehaald om te onderstrepen dat het fascisme driekwart eeuw geleden door één natie op de knieën is gedwongen: door Sovjet-Rusland.

Om dat te bewijzen worden minder welgevallige feiten uit de geschiedenis niet meer verdoezeld maar omgedraaid. Zoals het Molotov-Ribbentroppact (1939). Vroeger vergoelijkte het Kremlin dit pact als een tactische manoeuvre die door de westerse appeasement in München (1938) onvermijdelijk was. Nu wordt het bejubeld als een „prestatie om trots op te zijn”. Volgens Poetin had Polen het aan zichzelf te wijten dat het werd opgedeeld door Hitler en Stalin. Had het in het interbellum maar niet antisemitisch en anti-Russisch moeten zijn, aldus Poetin.

Een politicoloog van het Instituut voor Diaspora en Integratie, een instelling waarmee Thierry Baudet in 2016 goed contact onderhield, voegde daar begin deze maand nog een morele dimensie aan toe. Moskou had gewoon het „recht” het „territorium van separatisten in de Baltische landen, Finland, Polen en Roemenië” terug te pakken. De beloning mocht er zijn. Dankzij het pact had de Sovjet-Unie, na de nederlaag van Frankrijk in 1940, vervolgens kunnen toetreden tot de ‘grote drie’ met Amerika en Engeland.

Waarom deze retoucheerdrift? Is het Russische oorlogsverhaal niet dermate huiveringwekkend dat het geen opsmuk nodig heeft? Zou het niet volstaan aandacht te vragen voor het onmiskenbare feit dat in West-Europa minder oog is voor de Slag bij Stalingrad (1943) dan voor de invasie in Normandië (1944), zoals in Rusland weinig belangstelling is voor de Amerikaanse Lend-Lease Act (1941) die toch belangrijk was voor de oorlogsindustrie in de Sovjet-Unie?

Kennelijk niet. Het gaat het Kremlin er niet om hoe de geschiedenis kan worden beschreven, maar hoe die kan worden gebruikt. De toekomst van Rusland ligt in zijn heroïsche verleden. Pijnlijke gebeurtenissen – denk naast het duivelspact ook aan Katyn (1940), Boedapest (1956) en Praag (1968) – schreeuwt het Kremlin als ‘cynisme’ weg.

Dat ging goed totdat corona aanklopte. Want door de pandemie staat deze fixatie op het verleden nu ineens in de schaduw van het heden. De helden van 2020 zijn niet meer alleen de soldaten van toen, maar ook de medici, verpleegsters en ambulancebroeders van nu.

In Postwar concludeerde historicus Tony Judt (1948-2010) dat de val van de Berlijnse Muur een keerpunt in Europa’s historisch bewustzijn was geweest. Tot 1989 was „naoorlogs Europa gebouwd op een opzettelijk slecht geheugen: vergeten als manier van leven”. Daarna werd Europa gestoeld op een teveel aan „geïnstitutionaliseerde publieke herinnering”. Het eerst was blindheid, het tweede hysterie. Evenwicht is geboden. „Een zekere mate van verwaarlozing en zelfs vergeten zijn noodzakelijke voorwaarden voor onze burgerlijke gezondheid”, aldus Judt.

Dwingt de coronaramp nu het Kremlin wat minder obsessief met de geschiedenis om te gaan? Zo ja, dan wordt 2020 het jaar waarin geschiedschrijving weer haar rechtmatige plaats krijgt: namelijk als een vak dat over het verleden gaat en niet over de toekomst.

Oost-Europa-expert Hubert Smeets werkt bij het kenniscentrum Raam op Rusland. Hij schrijft om de week met redacteur geopolitiek Michel Kerres over de kantelende wereldorde.