Recensie

Recensie Boeken

Waarom moddert de hoofdpersoon maar voort? Het antwoord zet alles in een ander licht

Thomas Verbogt

Foto cinoby

‘Alles kan nog twee, en honderd kanten uit’, dichtte Toon Tellegen eens. Ik moest aan de regel denken bij het lezen van Als je de stilte ziet, de nieuwe roman van Thomas Verbogt (1952). Zoals dat gaat in zijn romans wordt hierin volop herkauwd, heroverwogen en herbeleefd, zonder duidelijke sturing, zonder doel, lijkt het wel. Doet alles ertoe, zoals de anonieme hoofdpersoon ons keer op keer verzekert? In het leven van deze toneelschrijver, die alleen op een woonboot leeft, wordt weinig ondernomen. Soms heeft hij een vrouw, dan weer niet, misschien heeft hij een kind, maar dat zou ook van een ander kunnen zijn. Hij staat erbij en kijkt ernaar.

Het woord dat bij zijn leven hoort is, naar zijn eigen zeggen, dan ook ‘ineens’. Dingen gebeuren bij hem ineens, zomaar. Wat je niet weet, hoef je ook niet uit te leggen, klinkt het ook meermalen. De hoofdpersoon moddert maar zo’n beetje voort, sinds de puberteit: ‘Ik wist niet hoe dat moest, iets betekenen.’ Slechts eenmaal, op zijn twintigste, maakte hij een keuze: hij spreekt zich uit, in een brief, voor een meisje. Hij wil met haar het leven door, maar ze geeft geen sjoege... Is dat het moment waarop hij het maar opgeeft? En waarom ziet hij zijn familie, zijn zus en zijn pleegbroer, eenmaal volwassen nooit? Is dat dan geen keuze? Als je het al niet meer verwacht, komt er een antwoord op deze vragen, aan het eind van de roman. Daardoor wil je het boek meteen herlezen: het zet alles in een ander daglicht.

Contrasten, zoals tussen de hoofdpersoon en zijn vader, die eerder niet zo opvallend waren, krijgen er een nieuwe lading door. Die vader is een type dat zelfs bij het meest nederige voorwerp nog wel een verhaal weet. Het weet-je-nog ligt hem in de mond bestorven: ‘Dit vaasje is nog van tante Freddie. Ze miste de duim van haar rechterhand.’ Als hij met zijn zoon op een ochtend naar sneeuw in de tuin kijkt, wijst hij hem erop ‘dat de ochtendzon zo glansde dat het net was alsof de sneeuw in licht zat verpakt [...], zo teer dat je het nauwelijks durft aan te raken.’ Vat de zoon dit op als een bevel tot aandachtig kijken, zonder inmenging?

Verbogt is een vernuftig auteur. Het valt nauwelijks op dat hij componeert, structureert, maar dat doet hij wel degelijk, net als in zijn vorige roman Hoe alles moest beginnen (2017) die ook verrassend eindigde. Lange tijd heb je tijdens het lezen geen idee wat je eigenlijk zoekt, dat je iets zoekt. Het is alsof je in de hoofdpersoon zelf bent veranderd, die niet goed kan ‘begrijpen wat ik zo graag wil begrijpen (en) waarom ik dat wil begrijpen.’

Het is opvallend dat humor, net als in eerdere romans van Verbogt, geen rol speelt in Als je de stilte ziet. En dat terwijl hij juist zo geestig kan schrijven. In Olifant van zeep, zijn vorig jaar verschenen verhalenbundel, zit wél zelfspot, of zelfs de troost van de slapstick – zoals dikwijls in zijn verhalen. Het is jammer dat hij dat levensgevoel weghoudt uit zijn romans. Ze zouden erdoor aan leven winnen. Sommige scènes, ook in dit boek, lenen zich er uitstekend voor, bijvoorbeeld waar de hoofdpersoon uit een botsautootje valt.