‘Waah, die Adolf Hitler was echt gemeen!’

Scholen Hoe praat je met kinderen en jongeren over de Tweede Wereldoorlog? Er zijn antisemitische complottheorieën bijgekomen, maar 75 jaar na dato hoeven leraren nog steeds „geen enkele moeite” te doen om leerlingen in het onderwerp te interesseren.

Illustratie Mikko Kuiper

‘De Joden hebben het verdiend”, zei een student op een mbo tegen gastdocent Julia Sarbo. „De holocaust is hun eigen schuld.” De vaste docent verslikte zich in z’n koffie, de helft van de klas haakte zuchtend af – daar gaan we weer. Maar Sarbo, medewerker educatie bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei, vroeg stoïcijns door. Waarom denk je dat? Waar baseer je je mening op? Waar heb je dat gelezen?

Het zijn opmerkingen die Sarbo wel vaker hoort, zeker op gemengde scholen. „Het is op zich prima als iemand zegt wat hij vindt”, zegt Sarbo door de telefoon. „Dat hoor ik liever in het openbaar dan in het geniep.”

Ze besteedt er meestal niet al te veel aandacht aan – „Je gaat ze geen volledig podium geven” – maar gaat wel met de leerlingen in gesprek. Dan blijkt dat er heel andere vragen of zorgen achter de antisemitische opmerkingen zitten. „Er zit vaak een gevoel van onrecht achter. Over het Israël-Palestina conflict, bijvoorbeeld. Of over de oorlog in Syrië. Dat verbinden ze met de Tweede Wereldoorlog. Het is aan mij en de docent om die dingen uit elkaar te trekken. Dan wordt het meestal een heel genuanceerd gesprek.”

Oei, de juf heeft tranen

Wat Sarbo opvalt, is de onveranderd grote interesse voor de oorlog, zeker op basisscholen. Ondanks het feit dat de oorlog 75 jaar geleden is en zelfs de opa’s en oma’s van de jongste scholieren ’m niet meer hebben meegemaakt. Er gaat een haast magische aantrekkingskracht van uit. „We horen jaar op jaar van leraren dat ze geen enkele moeite hoeven te doen om hun leerlingen te motiveren voor dit thema. Het is het favoriete onderwerp van kinderen in groep 7 en 8”, zegt Sarbo. „Ze zitten op het puntje van hun stoel en zijn vaak heel verontwaardigd: ‘Waah, die Adolf Hitler was echt gemeen! Waarom deed hij dat?’”

In al die jaren is de manier waarop er over de oorlog wordt gesproken in de klas niet echt veranderd, ziet ook leerkracht Marion Blocq-Zanten (68). Haar hele loopbaan heeft ze veel aandacht aan het onderwerp geschonken, vooral in de hogere klassen van de basisschool, waar het een groot onderdeel is van het vak geschiedenis. „Ik weet hoezeer de Joodse bevolking is getroffen”, zegt ze. „Ik vind het heel belangrijk dat dat wordt doorgegeven.”

Blocq-Zanten vertelt de leerlingen over haar vader. Hij zat in Auschwitz met zijn broer, die vlak voor de bevrijding stierf. „Hij heeft nog een dodenmars meegemaakt.” Haar moeder vluchtte tijdens de oorlog naar Amerika. Na de oorlog trouwde ze met haar vader en in 1951 werd zij geboren. In de loop der jaren is ze heel veel over de oorlog te weten gekomen – in eerste instantie uit zichzelf, omdat haar vader er pas later over ging praten. Naar de klas neemt ze brieven mee die hij geschreven heeft, zoals een spreekbeurt die hij ooit hield over zijn ervaring voor de Rotary. Die leest ze voor.

„Er zijn kinderen die dan moeten huilen”, zegt ze. „En ik zelf soms ook. Dan zie je ze denken: Oei, de juf heeft tranen. Ik zeg dan: ik zie dat jullie emoties hebben, dat mag. Ik ook, want ik vertel het verhaal over mijn vader. Het verdriet om wat hij heeft meegemaakt, blijft.”

Films in de klas

Ze licht ouders áltijd in als ze de Tweede Wereldoorlog gaat behandelen. Want de verhalen kunnen erin hakken. „Ik wil niet dat ze thuiskomen en zeggen: oh ja, de juf heeft vandaag verteld dat haar vader in het kamp heeft gezeten.” Als ouders toestemming geven, kijkt ze ook films in de klas: La Vita è Bella, The Boy With The Striped Pyjamas. „Ik zet ze af en toe stil om te vertellen wat er gaat gebeuren. Al te heftige films zoals Schindlers List kijk ik niet, ook al vragen kinderen erom. Dat vind ik meer wat voor de middelbare school.”

Daar is het wel lastiger om leerlingen geboeid te houden, weet Julia Sarbo. Voor die groep is het zaak om elementen uit de oorlog te koppelen aan de actualiteit, aan hun eigen wereld. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei maakte een magazine, 4Free, voor jongeren in het voortgezet onderwijs en het mbo. „Daarin staat onder andere een interview met een jongen die in z’n eentje gevlucht is uit Syrië en via zijn telefoon een soort dagboek bijhield”, vertelt Sarbo. „Hij zegt daarin: ‘Mijn telefoon is mijn vader en mijn moeder, mijn kompas en mijn leven’. Voor Anne Frank was het haar dagboek, voor hem zijn telefoon. Zijn verhaal is natuurlijk heel anders dan dat van Anne Frank, maar jongeren voelen de vergelijking wel.”

Discussies over democratie

Jongeren willen het over het nú hebben, merkt Sarbo. „De Tweede Wereldoorlog vinden ze heel heftig, maar dat vinden ze ook van de oorlog in Syrië, of de huidige coronacrisis. Voor docenten is het dan zaak om de koppeling te maken. „Dan ontstaan er mooie discussies over democratie en vrijheid.” Ze merkt dat jongeren door sociale media een „heel breed scala aan meningen” hebben. „Hun gedachten gaan snel, hun wereld is groot, ze halen hun informatie overal vandaan.” Oudere scholieren plaatsen de oorlog dan ook vaker in een breder en internationaler perspectief, merkt ze: „We krijgen steeds vaker vragen over wat er op Curaçao gebeurde tijdens de oorlog.”

Voor Anne Frank was het haar dagboek, voor hem zijn telefoon

De achtergrond van scholieren speelt mee bij hun interesse in de Tweede Wereldoorlog, ziet Blocq-Zanten. Op de Joodse school waar ze werkte, zaten kinderen met familie die absoluut niet over de oorlog spraken en kinderen van wie de opa’s en oma’s er niet over ophielden. Op de meer geprivilegieerde school in Bennebroek begonnen ouders vaak zelf al te vertellen zodra kinderen thuis de Tweede Wereldoorlog ter sprake brachten; er waren opa’s en oma’s die in het verzet hadden gezeten. En op de gemengde school waar ze nu werkt, krijgen leerlingen een stuk minder mee van thuis. „Dat maakt enorm verschil”, ziet ze. „De interesse is er wel, maar toch anders dan als ze uit een ander sociaal milieu komen.”

Toch kan een heel andere geschiedenis er juist ook voor zorgen dat kinderen zich met de oorlog verbonden voelen. Zo vertelde een jongetje uit Afghanistan dat hij elk jaar teruggaat met zijn familie, maar daar niet mag buitenspelen omdat ze bang zijn dat hij ontvoerd wordt. Hij vertelde dat tijdens een wandeling die de leerlingen dit schooljaar maakten langs mensen en plekken die met de oorlog te maken hebben in Amsterdam-Zuid, ter gelegenheid van 75 jaar bevrijding. „Dat had hij in de klas nooit verteld”, zegt Blocq-Zanten.

Van toegenomen antisemitisme, of complottheorieën, merkt ze niet veel. Wél dat de problematiek rond Israël de klas in komt. „Maar dat vind ik geen onderwerp voor de basisschool. Ik ben wel eerlijk: Ik zeg dat ik dol ben op Israël en er graag naartoe ga, maar ook zie dat dingen niet goed gaan. Maar je moet niet in politiek verzanden.”

Dat is de taak van docenten, zegt Julia Sarbo: zin en onzin scheiden, en de belangrijkste lessen uit de Tweede Wereldoorlog over het voetlicht brengen. „We willen leerlingen vooral laten zien waartoe mensen in staat zijn en hoe ze stap voor stap tot zoiets gruwelijks komen.”

75 JAAR BEVRIJDING. Hoe vertel je 75 jaar na dato het verhaal van de Tweede Wereldoorlog – in musea, in de klas en in boeken? Wat herdenken we eigenlijk nog op 4 mei? En hoe wordt er teruggekeken op de bezetting in Duitsland en andere landen?