Overal zie je nu huttenbouwers: ‘we hebben geen last van ouders hier’

Hutten Nu kinderen zeeën van tijd hebben, verrijst buiten de ene na de andere hut. Vier bouwers over hun schuilplek.

De Bosrankhut, met brievenbus en eigen adres. Het gaat om het bouwen, deze hut is "nooit af".
De Bosrankhut, met brievenbus en eigen adres. Het gaat om het bouwen, deze hut is "nooit af". Foto Niels Blekemolen

Een goede hut bouw je niet in een dag. De bouwers van de Bosrankhut (vijf meisjes) zijn al weken bezig. Natuurlijk speelde mee dat Fuju er lang niet altijd bij was. Zij is zestien en mag als enige de zaag en schroefboor gebruiken. Maar dan nog: een echte hut, eentje die lijkt op een huis, dat duurt weken.

In Amsterdam-Noord, waar bouwterreinen nooit ver weg zijn, verrijst de ene na de andere hut. Hutten om in te schuilen, hutten om in te hangen. Hutten waarvan de bouwers dromen er ooit de nacht door te kunnen brengen.

Regels kent Amsterdam niet – net als de meeste andere Nederlandse plaatsen. Hutten worden weggehaald als die volgens handhavers „onveilig” zijn, of als er door de bouw „dingen stukgaan” – denk aan hekwerken, brugleuningen, openbaar groen, zegt de woordvoerder van de gemeente Amsterdam.

De huttenbouwers zelf verdelen zich, zo blijkt, in resultaatgerichte klussers en perfectionisten. Bouwers die voor snelheid en omvang gaan. Die het liefst binnen een dag een kleine flat zien staan.

Anderen gaan voorzichtiger te werk. Hier wordt vergaderd over het ontwerp, en pas getimmerd als er sprake is van unanimiteit, als iedere bouwer zich in de voorgestelde bouwplannen kan vinden. Een plankje hier, een balkje daar. Zelfs de hoogte van een bankje kan tot discussie leiden. In deze hutten is eeuwig ruimte voor verbetering.

Nu hebben veel kinderen deze weken zeeën van tijd. Dagen zonder school, zonder zwembad, zonder sportclub, en nog een handvol andere opgelegde beperkingen. Dagen waarop je hutten bouwt. Want als je niet meer bij je vrienden mag binnenspelen, dan bouw je toch je eigen binnen?

Straathut

Wie: Sam (4), Luc (6), Elvis (6), Stijn (7), IJsbrand (8), Lucas (6) en Teun (1)
Wat: ‘Fort Lowitjie’
Materiaal: pallets en balken van het bouwterrein
Sinds: de eerste quarantaineweek
Status: af

Elvis (6): „Voor als er zombies komen.” Foto Niels Blekemolen

De hut stond aanvankelijk op het naburige bouwterrein, maar al na een paar dagen greep de politie in. „Ze zeiden dat we weg moesten”, vertelt Elvis. Hij schakelde meteen zijn moeders in, die hielpen hem de onderdelen van het terrein afsjouwen. Binnen twee dagen zaten de schroeven er weer in. Nu staat de hut, „een fort”, op een klein strookje groen in de straat waar de bouwers wonen. Elvis had een ontwerp met drie verdiepingen en een balkon in zijn hoofd. „Maar dat mocht niet van mijn moeder.” Bouwen doen ze niet meer, vertelt Elvis. De schuilplaats is af. „Voor als er zombies komen.”

Meisjeshut

Wie: Leontine (12), Tessel (12), Cato (10), Treesje (10) en Fuju (16)
Wat: ‘Bosrankhut’
Materiaal: hout, golfplaten, zeil, een brievenbus
Sinds: drie weken
Status: nooit af

Treesje (10): „We hebben tijd genoeg om te bouwen deze weken.” Foto Niels Blekemolen

„We zeggen liever niet wie er de baas is in deze hut”, zegt Leontine. Korte stilte. „Maar als Fuju er niet is, dan gebeurt er meestal weinig.” Drie weken geleden zijn de vijf buurmeisjes begonnen met bouwen, latje voor latje. En nu staat er een piekfijn huisje, met naast de deur een brievenbus.

Voor het interview hebben vier van de vijf bouwers zich binnen verzameld, rondom de tafel, met plantenbak, onder een dak van zeil. De „jongenshut” – zeker drie keer zo lang - staat aan het andere uiteinde van de straat. Leontine vat ongevraagd het verschil samen: „Zij wilden hun hut snel afhebben, wij wilden genieten van het bouwen.” Treesje laat de bar zien, en vertelt dat ze er nu over denken een plateautje te maken op de dwarsbalk onder de nok – daar kan een bed komen.

Jaren geleden bouwden ze al een hut die door de gemeente werd weggehaald. Leontine haalt haar schouders op: „Iets met het straatbeeld”. Een andere hut werd „ingenomen” door een dakloze man. Voor de Bosrankhut hebben ze tijd genoeg tijdens deze quarantaineweken, zegt Treesje. Leontine: „We hebben geen last van ouders hier.”

Jongenshut

Wie: Flip (7), Max (8) en hun vaders
Wat: naamloze hut
Materiaal: hout, touw en een bureaustoel
Sinds: twee weken
Status: af

Max (8): „We deden gewoon maar iets.” Foto Niels Blekemolen

De hut van Flip en Max is langwerpig, en staat op een landje achter hun huis. Er steekt een ijzeren pijp naar buiten. „We deden gewoon maar iets”, zegt Max. Met de vader van Flip hebben ze in twee rondes hout verzameld, de bouw zelf nam slechts enkele uren in beslag. Flips vader gooide de pallets op het autodak – de bouwers mochten onderweg op de bumper blijven staan. Aan de andere kant van de straat staat „de meisjeshut”. Of ze jaloers zijn? Max: „Heel erg.” „Ze hebben een deur”, zegt Flip. „Met scharnieren!”

Buurthut

Wie: Noa (9), Tijmen (10), Gijs (7), Niek (7)
Wat: ‘De schildpad’
Materiaal: pallets, kunstgras, een autoband
Sinds: zes weken
Status: nooit af

Noa (9): „Iedere dag bouwen tot het avondeten.” Foto Niels Blekemolen

Net over de brug, aan de rand van de wijkDe Bongerd, verrijst „De Schildpad”. Een woontorentje van inmiddels vier verdiepingen. Noa – een van de twee „hoofdbouwers” – telt negen kamers. Iedere dag, na het thuisonderwijs, bouwen de vier vrienden gestaag verder, tot ze voor het avondeten naar huis worden geroepen. Noa’s vader zorgde onlangs voor een doos nieuwe schroeven. Buurtbewoners voeren ongevraagd pallets aan.

Aanvankelijk begonnen de vier met bouwen in de bosjes hier vlakbij. Maar een hut tussen de struiken wordt snel vernield, leerden ze. Daarom staan ze nu hier, in het open veld.

Al zorgt deze locatie inmiddels voor nieuwe problemen.

Woensdag kwam er een auto van de handhaving voorrijden. De bouwers kregen te horen dat hun hut „te gevaarlijk” wordt. Tijmen: „We moesten al het losse hout verzamelen. De agent zei: voor nu is het goed. Maar ik denk dat ze terugkomen.”