Recensie

Recensie Boeken

Sluit je thuis op met een boek, zegt deze dichter die de pestepidemie meemaakte

Renaissance De mensheid is moreel zo verdorven geraakt, dat je je het beste thuis kan opsluiten met een goed boek. Althans, dat vond deze dichter die leefde tijdens de pestepidemie.

De pest in Florence in 1348. Schilderij van Baldassarre Calamai (1787-1851).
De pest in Florence in 1348. Schilderij van Baldassarre Calamai (1787-1851). Foto De Agostini/Getty Images

Wat te doen na een pandemie? Toen Europa werd getroffen door de Zwarte Dood, de grote pestepidemie van de veertiende eeuw, zocht de dichter Francesco Petrarca troost in het verleden en de toekomst. ‘We hadden vroeger of veel later geboren moeten worden’, schreef hij aan een vriend in Florence in 1352. ‘Want er was, en misschien komt er nog, een gelukkiger tijd.’

Het gelukzalige tijdperk uit het verleden waar Petrarca (1304-1374) op doelde was de klassieke oudheid. Zou het niet mogelijk zijn die gloriedagen te doen herleven? De vriend in Florence overleefde de pestepidemie niet, maar toch kwam Petrarca’s hoopvolle voorspelling uit. Met zijn op klassieke leest gestoelde poëzie legde hij de grondslag voor de Renaissance, de grote bloeiperiode van kunst en cultuur die de oudheid opnieuw tot leven bracht.

Wie Renaissance zegt, denkt in eerste instantie aan schilderkunst en architectuur, aan de meesterwerken van Brunelleschi en Botticcelli, Michelangelo en Rafael. De Renaissance draaide om esthetiek en levenskunst, zo is het gangbare beeld, niet om doorwrochte maatschappijkritiek of politieke stellingname. Die beeldvorming is ten dele te wijten aan Petrarca zelf. Toen de pestepidemie was uitgewoed overwoog hij of het niet beter zou zijn om de ook toen al beproefde praktijk van social distancing gewoon voor altijd voort te zetten: de mensheid is moreel zo verdorven geraakt, zei hij, dat je je het beste thuis kan opsluiten met een goed boek.

Toch behelsde die keuze voor een solitair leven gewijd aan literatuur wel degelijk ook een politiek oordeel, zo legt James Hankins (1955), eminent hoogleraar aan Harvard, omstandig uit in zijn studie Virtue Politics over de Italiaanse Renaissance. Het ging Petrarca en zijn talloze navolgers namelijk om het kweken van moreel besef, en dat verkrijg je bij uitstek door je te verdiepen in de klassieke cultuur. De wedergeboorte van de oudheid die zij voor ogen hadden, draaide ook om een wederopbloei van het menselijk karakter na eeuwen van vermeend moreel verval.

Juridische haarkloverij

De pestepidemie had dit morele tekort genadeloos blootgelegd. Overal was sprake van verdeeldheid en onderling wantrouwen, machthebbers hulden zich in onkunde, critici zochten hun heil in juridische haarkloverij om de autoriteit van de instituties in twijfel te trekken.

Maar politiek draait niet om het aanscherpen van regels of het hervormen van de instituties, zo luidde het credo van de Renaissance: politiek gaat om morele hervorming. De beschaving kan alleen worden hernieuwd als de mens zichzelf hernieuwt. En dat doe je door juridisch geneuzel te laten voor wat het is (het recht is namelijk een scientia oscitans, een ‘gaapwetenschap’) en in plaats daarvan de vruchten van de menselijke creativiteit te bestuderen, geschiedenis, filosofie, poëzie en retorica, de humaniora die de mens, letterlijk, humaner maken. De boodschap dat politiek niet draait om wetten en instituties maar om deugd en moraliteit, te herleiden tot antieke teksten en rolmodellen, lijkt wellicht een naïeve wensdroom van een stel elitaire studeerkamergeleerden. Toch houdt die wensdroom ook onze tijd een verrassende spiegel voor.

De denkers van de Renaissance achtten ieder individu, ongeacht afkomst, inkomen en andere privileges, evenzeer in staat om morele perfectie te bereiken. Ze stelden dat een overheid geen gehoorzaamheid kan afdwingen door regels te handhaven, maar alleen door zelf een voorbeeld te geven van deugdzaam handelen. Ze zagen vrije meningsuiting niet als een recht, maar als een morele vaardigheid. En ze bepleitten politiek engagement door boven de partijen te staan, niet door krampachtig partij te kiezen uit ideologische scoringsdrift.

Het recht is een scientia oscitans, een ‘gaapwetenschap’

De concrete politieke voorstellen die uit deze aannames voortvloeiden, kenden veel onderlinge schakeringen. Leon Battista Alberti (1404-1472) bijvoorbeeld, behalve beroemd architect en kunsttheoreticus ook auteur van politieke traktaten, propageerde een oligarchie geleid door huisvaders, de eigenaren van de oikos, een regering die hij daarom oiko-archie ofwel iciarchia doopte (een term die geknipt lijkt voor het lexicon van conservatieve dwepers vandaag de dag).

Maar er was ook Cyriacus van Ancona, die zijn Griekse klassiekers wat beter kende en als eerste sinds de oudheid het ideaal van democratie omarmde. En wat te denken van Georgios Trapezuntios, een migrant uit Kreta (met wortels in Trabzon aan de Zwarte Zee) die in de vijftiende eeuw aan het pauselijk hof in Rome belandde en daar een radicale kritiek schreef op Plato? Zijn pleidooi voor kosmopolitisch burgerschap en sociale mobiliteit laat treffend zien dat de klassieke traditie niet enkel voor een conservatief karretje kan worden gespannen.

In wijdlopige hoofdstukken haalt Hankins de ene na de andere denker vakkundig uit het stof, al slaagt hij er zelden in hun turbulente denkwereld daadwerkelijk tot leven te brengen. Daarvoor is zijn aanpak te braaf en zijn stijl te stijf, wat verrast voor een studie die zo hoog opgeeft van het belang van retorische souplesse.

Lees ook: Eeuwenoude filosofen hebben goede tips tegen corona-angst

Echt vaart krijgt het verhaal pas tegen het eind, als Niccolò Machiavelli (1469-1527) ten tonele verschijnt en aan het begin van de zestiende eeuw genadeloos de klassieke traditie omver blaast. Politiek gaat niet om deugd, zegt Machiavelli, maar om macht: een leider die altijd het moreel juiste wil doen gooit zijn eigen glazen in. De meeste mensen deugen niet, en daarom zijn wetten en instituties nodig om hun neiging tot het slechte aan banden te leggen.

Die visie werd leidend voor de moderne staatsvorming. Maar in een tijdperk waarin figuren zoals Trump zich niet langer laten beteugelen door instituties, kun je je afvragen of er niet meer nodig is om goed leiderschap af te dwingen.

Wie tijdens de huidige pandemie hervormingsplannen beraamt, doet er daarom goed aan om, net als Petrarca, ook te rade te gaan bij de alternatieve stemmen uit het verleden die inzagen dat wetten en regels niet altijd voldoende remedie bieden voor het menselijk tekort.