Opinie

Ik geloof niet in geforceerd herdenken

Herdenken

Kun je een oorlog herdenken die je zelf niet hebt meegemaakt? Na driekwart eeuw kun je in ieder geval niet verwachten dat het vanzelf gaat, constateert
In Rotterdam geven verlichte tegels de brandgrens aan, waarmee het Duitse bombardement van 14 mei 1940 en de daaropvolgende brand gemarkeerd wordt.
In Rotterdam geven verlichte tegels de brandgrens aan, waarmee het Duitse bombardement van 14 mei 1940 en de daaropvolgende brand gemarkeerd wordt. Foto Walter Herfst

Ik woon aan de Beneden Oostzeedijk in de Rotterdamse wijk Kralingen, op de zogeheten Brandgrens, waarmee het Duitse bombardement van 14 mei 1940 en de daaropvolgende brand gemarkeerd wordt. Verspreid over de wijk liggen verlichte tegels met daarop het silhouet van een brandend pand, een Heinkel-bommenwerper en het beeld De Verwoeste Stad van Ossip Zadkine, die in de avond worden verlicht. De doorzichtige tegels zijn onlangs vervangen, zag ik, en hebben nu een rode achtergrond, zodat ze ook overdag opvallen. Misschien toepasselijker – het bombardement vond immers op klaarlichte dag plaats.

NRC spreekt met de laatste ooggetuigen van de bevrijding van Nederland, 75 jaar geleden.

Kun je een oorlog herdenken die je niet hebt meegemaakt? Het is een vraag die me soms, zoals rond de meidagen, bezig kan houden. Hoe geïnteresseerd en ingelezen ik ook ben in het Nederlandse oorlogsverleden, het volledig toe-eigenen van de herdenking gaat maar moeizaam. Wellicht de tragiek van het vaderlandloze migrantenkind, dat zich op zulke momenten maar een Fremdkörper voelt tussen mensen die zich vanzelfsprekend verbonden voelen met de geschiedenis van het land van hun voorouders.

Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik aan de oorlog wordt herinnerd. Enkele straten in mijn buurt zijn vernoemd naar verzetsstrijders, in de oorlog gefusilleerd als vergelding voor bomaanslagen op de Duitse bezettingsmacht of liquidaties van (vermeende) Nederlandse collaborateurs. Vlak voor de Sint-Lambertuskerk, op de hoek van de Beneden Oostzeedijk en de deftige Hoflaan, werden in april 1945 twintig verzetsmensen standrechtelijk geëxecuteerd – een Duitse wraakactie na de liquidatie van een collaborerende politieagent, die lid van de SS bleek te zijn.

Stolperstenen op het trottoir aan de Oude Dijk.

Foto Walter Herfst

Op de hoek van de Willem Ruyslaan (vernoemd naar een verzetsman) en de Oudedijk, waar de Brandgrens ophoudt, staat het oorlogsmonument De Steen van de Miljoenen Tranen, de lokale herdenkingsplek op 4 mei. En aan dezelfde Oudedijk liggen meerdere Stolpersteine die voorbijgangers herinneren aan de twaalf Joodse bewoners die werden gedeporteerd naar concentratiekampen en de oorlog niet zouden overleven.

Blik gericht op de toekomst

Het moge duidelijk zijn: in Kralingen is het onmogelijk om níet te worden herinnerd aan de oorlog, ook als je geen bovenmatige interesse hebt in de geschiedenis. Terwijl Rotterdam aanvankelijk na de oorlog eerder leek te investeren in vergeten dan herinneren. De stad die door de bommenregen het zwaarst gehavend uit de oorlog kwam, koos ervoor om na het puinruimen de binnenstad niet in oude glorie te herstellen, maar met moderne architectuur vol te bouwen – de wederopbouw, en daarmee de toekomst, moest centraal staan. Dat blijkt ook uit de jaartallen van de reeds genoemde lieux de mémoire; het tranenmonument dateert uit 1990, de verlichte tegels van de Brandgrens werden in 2006 gelegd en de plaatsing van de struikelstenen is van nog recenter datum.

Maar ondanks de inhaalslag is het de vraag of het nog zin heeft. Natuurlijk, voor de oorlogsgeneratie en de nabestaanden van de oorlogsslachtoffers is de jaarlijkse herdenking een intieme gelegenheid en bovendien een erkenning van leed. Tegelijkertijd betekent het waarschijnlijk ook dat de herdenkingen onlosmakelijk verbonden blijven met de oorlogsgeneratie en hun familieleden.

Beeld van Truus Menger-Oversteegen in Kralingen. Foto Walter Herfst

Want wie een blik werpt op de herdenkingsbijeenkomsten in Rotterdam en elders in het land merkt dat de demografische samenstelling vrij eenzijdig is. Jongeren zijn ondervertegenwoordigd, net als Nederlanders met een niet-westerse achtergrond. Dat is overigens geen verwijt maar een constatering. Het is nou eenmaal niet vanzelfsprekend dat mensen deelnemen aan herdenkingen waar zij zich niet gauw emotioneel aan kunnen verbinden, of die überhaupt geen herdenkingscultuur kennen.

Vandaar de vraag: kun je een oorlog herdenken die je niet hebt meegemaakt? Na driekwart eeuw kun je in ieder geval niet verwachten dat het vanzelf gaat. 4 en 5 mei werden geformaliseerd toen Nederland nog enigszins een overzichtelijke natie was met een collectief geheugen. Maar de Nederlandse bevolking is intussen dusdanig veranderd dat je niet meer kunt spreken van een natie, althans niet in de oorspronkelijke zin van het woord, laat staan van een collectief geheugen. We delen een land met mensen die andere herinneringen en overgeërfde trauma’s hebben. Voor wie de wereldoorlog meer een uit de hand gelopen blanke stammenstrijd was waar zij weinig mee te maken hebben. Die soms in landen zijn geboren die zich nog met geweld moesten vrijvechten van Europeanen die zelf tijdens de oorlog bezet of belegerd zijn geweest. Of die de afgelopen jaren hier naartoe zijn gevlucht vanwege een burgeroorlog of vervolging door een wrede dictatuur.

‘Nooit meer’ is na de oorlog slechts een geografisch gebonden boodschap gebleken.

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei ziet dat allemaal zelf ook en probeert al jaren de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog voor de jonge generatie en nieuwkomers relevant te maken. Dat initiatief sluit deels aan op de roep vanuit de samenleving, die een toenemende intolerantie, onverdraagzaamheid en polarisatie signaleert. Op sommige scholen worstelen docenten met lessen over de oorlog, omdat leerlingen, vaak met een islamitische achtergrond, maar moeilijk een onderscheid kunnen maken tussen Joodse oorlogsslachtoffers en de Israëlische bezettingspolitiek – nog los van het hardnekkige antisemitisme.

Je kunt in Nederland niet meer spreken van een natie, laat staan van een collectief geheugen

Maar leraren hebben ook te maken met kritische jongeren die aandacht vragen voor het koloniale en slavernijverleden, of recente oorlogen zoals die in het Midden-Oosten. Je ziet het ook terug in de jaarlijkse discussie rond de dodenherdenking, waarbij andere minderheidsgroepen impliciete aandacht vragen voor het oorlogsleed van hun voorouders. Je kunt het ergens emancipatie noemen.

Het breder trekken van de herdenking en de koppeling met het heden gebeurt trouwens al, zoals mij niet zo lang geleden opviel bij een bezoek aan Museum Rotterdam 40-45 NU. In het museum, dat vooral in het teken staat van het bombardement op de stad, waren de muren van de entreehal behangen met foto’s van stadsverwoestingen uit de recente geschiedenis, zoals de bombardementen op Bagdad, de Gazastrook en Aleppo. Het deed me denken aan uitspraken die docenten soms als een spiegel aan moslimjongeren voorhouden: dat als er weer gaskamers zouden komen, het geen twijfel lijdt wie daar in zullen gaan. Op die manier zouden ook deze ‘moeilijk te bereiken’ groep betrokken kunnen worden bij het nationale oorlogsverleden.

Een ‘catch-all’ herdenking

Maar schieten we hiermee niet het doel voorbij? Vervaagt hiermee niet het unieke karakter van de dodenherdenking, waarin men niet alleen stilstaat bij bezetting en strijd, maar ook (of juist) bij de vervolging van en geïndustrialiseerde massamoord op Europese Joden? In een catch all-herdenking, zoals het dreigt te worden, herdenk je alles en uiteindelijk niets.

Nou geloof ik niet in geforceerd herdenken, en ook niet in het kunstmatig tot stand brengen van een collectief geheugen. Misschien is het antwoord op mijn vraag simpelweg nee, en behoort de oorlogsherdenking in de kern alleen toe aan de slachtoffers en hun nabestaanden. Daarmee pleit ik ook weer niet voor een streep onder de geschiedenis, dat zou cynisch zijn. Er is ook zoiets als historisch besef. En misschien is dat ook het hoogst haalbare, dat Nederlandse burgers op de hoogte zijn van de oorlogsgeschiedenis, onder het mom van: wie het verleden niet kent, begrijpt het heden ook niet. Burgers kunnen vrede en vrijheid op die manier beter op waarde schatten. Daar ligt een belangrijke taak voor het geschiedenisonderwijs, en ik zou zelfs willen pleiten voor geschiedenis als verplicht examenvak.

Ondertussen blijf ik de herdenkingen bijwonen. Omdat herdenken stemt tot nadenken.

75 JAAR BEVRIJDING. Hoe vertel je 75 jaar na dato het verhaal van de Tweede Wereldoorlog – in musea, in de klas en in boeken? Wat herdenken we eigenlijk nog op 4 mei? En hoe wordt er teruggekeken op de bezetting in Duitsland en andere landen?