Recensie

Recensie Boeken

Eindelijk is deze prijswinnende roman in het Nederlands vertaald (•••••)

Olga Tokarczuk Een kleine Poolse dorpsgemeenschap wordt opgeschrikt door een serie moorden, de een nog gruwelijker dan de ander. Eindelijk is dit boek van Nobelprijswinnares Olga Tokarczuk in het Nederlands vertaald.

Illustratie Paul van der Steen

Illustratie Paul van der Steen

Dat de vleermuis geregeld terugkeert in Jaag je ploeg over de botten van de doden deed me onwillekeurig huiveren over coronavirussen. Waar maar weer mee gezegd is dat het horrorgenre in gesprek gaat met de meest actuele angsten. De vleermuis kan het verder ook niet helpen, dat hij sinds jaar en dag vaste gast is in de gothic horror. Gothic wraakhorror met een vleugje Agatha Christie, dat is hoe je de roman uit 2009 van de Poolse Nobelprijswinnares Olga Tokarczuk (1962) zou kunnen classificeren. Ook is het een geestige en slimme aanklacht tegen de huidige omgang met dieren.

Een kleine Poolse dorpsgemeenschap wordt opgeschrikt door een serie moorden, de een nog gruwelijker dan de ander. Eerst wordt buurman Grootvoet onder mysterieuze omstandigheden dood in zijn woning aangetroffen. Een zaklamp zou van pas komen: ‘Natuurlijk had ik die, maar waar, daar zou ik morgenvroeg bij daglicht achter komen. Zo gaat het altijd met zaklampen, die zie je alleen overdag.’

Aan het woord is Janina Duszejko, een chronisch onderschatte, laconieke vrouw. Een klassieke buitenstaander, een type heks. Mikpunt van spot vanwege onder meer haar sterke astrologische overtuigingen. Ook haar kapsel, haar kleding en haar gebrek aan onderdanigheid strijken tegen de haren in. Ze rijdt rond in haar Suzuki Samoerai, voor zover de sneeuw het toelaat, en verzorgt de huizen van de mensen die in de winter uit het dorp wegtrekken.

Janina bouwde ooit bruggen in Syrië en Libanon, geeft Engelse les en vertaalt met een oud-student het werk van William Blake, wiens hoofdlettergebruik ook deze vertelling binnensijpelt. Ze kwakkelt met haar gezondheid, heeft geregeld last van wat ze haar Kwalen noemt – waar geestelijke en lichamelijke pijnen onder vallen. ‘A Tear, is an Intellectual thing’, schrijft Blake. En tranen heeft Janina zat. Het lot van de levende wezens houdt haar bezig. De dieren kunnen op haar zorg rekenen. De jacht en het stropen zijn haar een doorn in het oog. Alsook de vossenfokkerij van buurman Buikman. En de houtkap.

Verdriet

Janina’s verdriet is eeuwenoud. Gezien de hoeveelheid misstanden op aarde is ‘in zekere zin alleen hij die lijdt gezond’, stelt ze. Aan de lopende band krijgt ze het advies van mannelijke dorpsgenoten om alles niet zo persoonlijk te nemen. ‘U benadert het te emotioneel.’ ‘U moet niet de hele wereld op uw nek nemen.’ Maar Janina redeneert: als nu meer mensen dat zouden doen? Ze ziet verdriet dan ook juist als iets redelijks. Als een reactie op het lijden – waar de wereld van is gemaakt. Maar helaas, ‘de menselijke psyche is gemaakt om ons te beschermen tegen het zien van de waarheid’.

Het verdriet van Janina is een woedend verdriet. Je kunt zeggen dat woede de motor is van de roman: de reden om te beginnen met spreken. Een maatschappelijke woede is het. Of zoals ze zelf zegt: ‘die gemoedstoestand die ik al kende, van helderheid, van vreselijke, niet te bedwingen, goddelijke woede’.

Het is de vraag wat de mens kan beginnen tegen zoveel alwetendheid

In haar woede rijdt ze naar de bossen als ze schoten hoort. Ze werpt zich tussen de jagers en de dieren, met haar hele oude lichaam. Ze vliegt een jager aan. ‘Het lijdt geen twijfel dat alle wijsheid uit Woede bestaat, omdat Woede in staat is alle grenzen te overschrijden.’ Het wordt weggehoond.

Door de hoon begint het schrijven. Lange brieven stuurt ze aan instanties. ‘Kan dit, gebeurt dit echt, deze verschrikking, deze grote, afschuwelijke, onverschillige, mechanische moordpartij, zonder enig gewetensbezwaar, zonder de minste reflectie, […] Wat is dit voor wereld waarin moord en pijn de norm zijn? Is er iets mis met ons?’

Geestig

Maar het ís dus geestig. En vrienden zijn er ook. Goednieuws, de jonge vrouw die de tweedehands kledingwinkel runt bijvoorbeeld. Over hun eerste ontmoeting merkt Janina op dat tijdschriften je zo vaak het idee geven dat als iemand je haar levensverhaal vertelt, je dan je antwoord moet beginnen met: ‘Zou je niet eens dit proberen, of dat?’ Janina gelooft dat alleen je eigen levensverhaal als antwoord dient. Wat haar vrienden gemeen hebben is dat ze buitenstaanders zijn, zij die niet meekomen in de klassiek patriarchale betekenis van het werkwoord meekomen.

Ondertussen vallen de dorpsgenoten bij bosjes. De komst van een insecten-deskundige brengt kortstondig liefde. In het hoofdstuk ‘Vleermuizenzang’ zit Janina op een mooie zomeravond met de keverkenner en buurman Eunjer in de tuin. Tokarczuk (1962) is een groot dialogenschrijver. De lichtheid en hilariteit schuilt, zoals wel vaker, in het gesproken woord. Het lijden uit zich grappig. Door de buitenstaander binnen de buitenstaanders, de keverdeskundige, wordt de vraag gesteld: ‘Wat hebben jullie in je leven gedaan?’ De omvang van de vraag brengt eerst stilte. En omdat het praten uitblijft, wordt er geblowd en gezongen. Gierend van de lach komt het gezelschap tot een volgende onmogelijke vraag: ‘Waarom zijn sommige mensen slecht en boosaardig?’

Het zijn de betere vragen. Deze laatste levert een waslijst aan verklaringen op: fouten in de opvoeding, of de klassenstrijd. Of een mislukte zindelijkheidstraining of een toxische moeder. Janina intussen beziet hen als ‘half mens, half dier.’ Ze heeft de gewaarwording met velen te zijn, ‘in de tuin en in het bos, en dat onze gezichten bedekt waren met vacht. Vreemde wezens.’ Vleermuizen zijn intussen ook in de bomen neergestreken en zingen, ‘zodat de Nacht rondom zachtjes begon te rinkelen, alle Wezens bijeenroepend voor de nachtelijke dienst.’ Een wonderlijke paganistische dienst.

Katholieke dienst

Met de katholieke dienst heeft Janina niet veel op. De heilige Hubertus bijvoorbeeld had nooit de beschermheilige van de jagers mogen worden. Hubertus zag juist een Christusfiguur verschijnen op het hoofd van een hert dat hij had willen doden. Hij viel op de knieën en hield óp met jagen.

Lees ook: Niet alleen in sprookjes; hekserij lijkt aan populariteit te winnen

Door de hele roman schetst Tokarczuk beelden, zo levend, die je niet snel verlaten. De dronken dorpstandarts met zijn openluchtpraktijk. Een zwijgende ontmoeting met een vos in het woud. En de gang naar het Bal van de Vereniging van Paddenstoelplukkers De Boleet. Janina gaat als Wolf verkleed en buurman Eunjer, tegensputterend weliswaar, laat zich in een Roodkapje-kostuum hijsen. Binnen raast het feest. En buiten, in een moeilijk vast te pakken, ontroerende scène, drukt De Wolf een kleine huilende vrouw tegen zich aan. De schaduwen van dansende mensen glijden over hen heen. Misschien ontroert het tafereel omdat Janina een kort ogenblik zichzelf omhelsde? Omdat haar ware aard die van een troostende wolf is?

Het ís een detective, dus alles pakt anders uit dan verwacht. De roman ontvouwt zich zoals ik me voorstel dat de sterren zich voor de astrologisch aangelegde Janina ontvouwen. Alles ligt vanaf het begin vast, het is de vraag wat de mens kan beginnen tegen zoveel alwetendheid. Onze zieneres stelt daarover dat de mens zich tot de sterren verhoudt zoals de hond zich tot mens. Wij mensen, hond van de sterren. Tokarczuk vraagt: wat voor een hond ben je?