Recensie

Recensie Boeken

Nadat ze Hitler ziet optreden zegt ze ineens: ‘je moet toch toegeven dat wel erg veel Joden…’

Herontdekt boek Deze drie Joodse families bevinden zich in de hoogste kringen van Berlijn. Terwijl Hitler langzaamaan het land vergiftigt met zijn ideeën, leven zij onverstoorbaar verder. Deze herontdekte en verslavende roman geeft een onvergetelijk beeld van de Duits-Joodse bourgeoisie in de jaren 1878-1948.

Een tafel gedekt voor de viering van Chanoeka. Berlijn, 1935
Een tafel gedekt voor de viering van Chanoeka. Berlijn, 1935 Foto Abraham Pisarek/Bildarchiv Pisarek/akg-images

Een Joodse Buddenbrooks. Zo is De Effingers in de loop der jaren door sommigen genoemd. En dat is niet eens zo vreemd, want die onlangs heruitgegeven en in Duitsland voor het eerst bejubelde roman van Gabriele Tergit uit 1951 handelt ook over vier generaties Duitsers, al bestrijkt Thomas Manns met de Nobelprijs bekroonde epos de jaren 1835-1877 – met als hilarisch hoogtepunt de revolutie van 1848 als het Lübeckse canaille niet weet waarvoor het de straat op is gegaan – terwijl De Effingers in 1878 begint en in 1948 eindigt.

Maar hoewel de autofabrikant Paul Effinger, een van Tergits hoofdpersonages, aan koopman Thomas Buddenbrook doet denken, zijn vrijgevochten schoonzuster Sofie op Thomas’ zuster Toni lijkt en zijn schoonvader, de altijd goedgehumeurde bankier Emmanuel Oppner, veel weg heeft van Johann Buddenbrook, gaat die vergelijking toch mank. Al was het maar omdat De Effingers niet over het verval van een Noord-Duitse patriciërsfamilie gaat, zoals De Buddenbrooks, maar over de onverstoorbare levenslust van vier generaties uit drie geassimileerde Joodse families – de kleinburgerlijke sociale stijgers de Effingers en de deftige Berlijnse Goldschmidts en Oppners. Deze levenslust, die zich zelfs niet door de nazi’s laat intimideren, blijkt zowel uit de 152, vaak korte en listig gecomponeerde hoofdstukken, als uit het ritmische, moderne taalgebruik en de filmische montagetechniek waarmee Tergit de jaren aan elkaar rijgt.

Gabriele Tergit, die bij het schrijven van haar tweede – en tevens laatste – roman De Buddenbrooks als voorbeeld had, deelt met Thomas Mann wel haar gevoel voor humor en ironie, haar levendige dialogen, het vermogen om de deftigdoenerij van de bourgeoisie te ontmaskeren en de stem van het grauw te laten klinken. Maar haar grootste kracht is dat ze van haar uiteenlopende personages mensen weet te maken van wie je bijna zonder uitzondering gaat houden en die je niet zo snel zult vergeten.

Humor

De naam Gabriele Tergit (pseudoniem van Elise Hirschmann, 1894-1982) kwam voor mij eind 2019 uit de lucht vallen, toen De Effingers in Duitsland werd herontdekt. Drie jaar eerder was haar debuutroman uit 1931, Käsebier verovert de Kurfürstendamm, opnieuw verschenen, een vlijmscherpe satirische roman over het Berlijn van de roaring twenties, die zich afspeelt in kringen van chaotische en rokkenjagende krantenredacteuren die zich meer schrijver dan journalist voelen, corrupte zakenlieden en de artistieke jetset van die dagen. Het verhaal gaat over de simpele volkszanger Käsebier, die dankzij een jubelrecensie ineens door iedereen wordt bewonderd. Van een sukkelig cabaretnummer verandert hij plotsklaps in een nationale ster, compleet met een eigen merchandising van Käsebierpoppen, Käsebierschoenen, Käsebierboeken. Iedereen wil van zijn succes profiteren. Tot de klad in zijn carrière komt, omdat een projectontwikkelaar met een woningbouwproject, dat ook een Käsebier-theater bevat, tijdens de economische crisis bankroet gaat. Na een vernietigende recensie in The Times over een optreden in Londen is niemand meer geïnteresseerd in de primitieve volkszanger, die – wat juist zo geestig is – in de roman vooral op de achtergrond aanwezig is en nauwelijks aan het woord komt. De roman moet het niet zozeer hebben van het verhaal, maar van de dialogen en het speels neergezette hypocriete egoïsme van de diverse personages.

Käsebier was in 1931 een hit, wat twintig jaar later niet voor De Effingers gold. Slechts dertig boekhandels wilden de roman inkopen. Acht jaar na de nederlaag van de nazi’s wilden de Duitsers duidelijk niet herinnerd worden aan de periode waarin ze massaal Hitler achterna waren gelopen en ze medeplichtig waren geraakt aan een van de grootste misdaden uit de geschiedenis van de mensheid.

Ook van Joodse zijde bestond er weerzin tegen het boek. Zo kritiseerden religieuze Joden het Pruisische patriottisme en de grootburgerlijke spilzucht van de hoofdpersonages en vonden zionisten dat hun zaak in Tergits roman als een autoritaire dwaalleer met fascistische trekken werd voorgesteld.

Circusartiest

Met de blik van nu is De Effingers in de eerste plaats een verslavend goede sociaal-kritische roman over het Duitsland van 1878 tot 1948. De erin voorkomende politieke en economische ontwikkelingen, zoals de opkomst van het kapitalisme, de grote kloof tussen arm en rijk die er het gevolg van is, de agressieve zucht naar verandering in de jaren voorafgaand aan 1914 en de beurskrach van 1929 verlenen De Effingers bovendien een grote mate van actualiteit. Zozeer vertoont die samenleving van toen overeenkomsten met de afgelopen decennia van het neoliberale heden.

Het Joodse element gaat pas een rol van betekenis spelen als na 1918 het onder Wilhelm II al enigszins aangewakkerde antisemitisme sterk toeneemt en de Joden de schuld krijgen van alles wat er mis is gegaan. Knap beschrijft Tergit hoe langzamerhand velen in deze idiote gedachtegang meegaan en steeds meer mensen achter de populistische politicus Hitler aanlopen.

Een aangrijpende scène uit het boek speelt zich in 1920 af in Heidelberg, waar iemand tegen de daar studerende Lotte en haar adellijke vriendin zegt: ‘Jullie moeten een keer naar Circus Krone gaan: daar treedt nu een gevaarlijke gek op en dat moet je meegemaakt hebben.’ Die gevaarlijke gek is de volksmenner Hitler, die tijdens de voorstelling als spreekstalmeester vanuit de piste tegen een oude vrouw op de eerste rij zegt: ‘wiens schuld is het dat je er zo ellendig uitziet? Wie heeft je geld afgepakt?’ Waarop vanachter in de circustent wordt geroepen: ‘De Jood’, en vervolgens andere stemmen klinken, ‘één voor één, van boven, van beneden, van de ene kant en van de andere kant: “De Jood, de Jood, de Jood.”’

Circusartiest Hitler beschuldigt de Joden van alle rampspoed in Duitsland: ‘Je bent je vrijheid kwijt, Duits volk, je bent horig aan de Jood, die zuigt je ziel uit je lijf zoals hij het bloed drinkt van je kinderen…’. Zijn woorden slaan aan, want bij het verlaten van de circustent zegt Lotte’s vriendin ‘je moet toch toegeven dat wel erg veel Joden…’, en zegt een andere vrouw: ‘Ik moet zeggen dat hij op mij een indruk maakt die ik niet zo gauw van me af kan schudden.’

Het zich als een virus verspreidende antisemitisme beschrijft Tergit ook heel treffend in haar fragmentarische en boeiende herinneringen Etwas seltenes überhaupt (1983). Zoals aan de hand van een gebeurtenis op het treinstation van Weimar. Als Tergit, die in de jaren twintig een beroemd rechtbankverslaggever was, vanuit de stilstaande trein haar man Heinz Reifenberg op het perron ziet staan, zegt een meisje naast haar onthutst: ‘Maar dat is toch een Jood’. Het meisje vlucht naar haar coupé, kijkt stuurs voor zich uit en zwijgt, waarop Tergit de trein verlaat.

Ook beschrijft ze in die herinneringen hoe kort na het aan de macht komen van de nazi’s de nieuwe hoofdcommissaris van politie in Breslau de Joodse rechters van de trappen van het gerechtsgebouw laat smijten en hoe de SA in diezelfde tijd ’s nachts op bevel van Goering een inval bij haar thuis doet, omdat ze als communiste wordt beschouwd. Terwijl haar man de SA’ers niet binnen laat, belt Tergit met een bevriende nationaalsocialistische politiecommissaris, die uit verontwaardiging over een inval in een particuliere woning een overvalcommando op de SA’ers afstuurt. Als de rust is weergekeerd, pakt Tergit haar koffers om met haar man en zoon naar Tsjechoslowakije te vluchten.

In De Effingers komen vergelijkbare passages pas in de laatste dertig bladzijden aan de orde, een kort bestek waarin Tergit als scherpzinnig ervaringsdeskundige het wezen van het nationaalsocialisme weet te vatten. Tot dat moment zijn de Effingers, Goldschmidts en Oppners trouwe patriotten, die vol overtuiging hebben meegewerkt aan de opbouw van de economie van het keizerrijk. In niets verschillen ze van niet-Joodse Duitsers, met wie ze in opperste harmonie samenleven en samenwerken. De Effingers is dan ook in de eerste plaats een Duitse roman, zoals Gabriele Tergit een Duitse schrijfster is.

Horlogemaker

Aan het begin van De Effingers verhuist de ambitieuze Paul Effinger vanuit het Zuid-Duitse stadje Kragsheim, waar zijn vader horlogemaker is, naar Berlijn om er een fabriek te beginnen. Berlijn is sinds de overwinning op de Fransen in 1871 de dynamische hoofdstad van het in dat jaar door de Pruisische koning Wilhelm I gestichte keizerrijk, dat barst van de ambities om een industriële en politieke grootmacht te worden. Als maatschappelijk betrokken ondernemer zet Paul zich in voor de verbetering van de levensomstandigheden van zijn arbeiders. Hij bouwt zelfs een woonwijk voor hen. Wrang is dat die arbeiders, verleid door Hitler, zich jaren later tegen hem keren. Zijn fabriek wordt door de nazi’s onteigend. Zelf belandt hij in het gevang.

Paul trouwt met een van de dochters van de aimabele bankier Emmanuel Oppner, een liberale Pruisische patriot die in de hoogste Berlijnse kringen verkeert, waar hij alom wordt gewaardeerd. In tegenstelling tot zijn broer en compagnon Karl, die met een andere Oppner-dochter is getrouwd, werkt hij dag en nacht. Terwijl Karl en zijn vrouw volop deelnemen aan het societyleven, is Paul het liefst op de fabriek die dankzij de uitvinding van de gasmotor auto’s gaat produceren en een geduchte concurrent van de Carl Benz-fabrieken wordt.

Lees ook: Een Joodse fabrikant in nazi-Duitsland

Het mooie aan De Effingers is dat Tergit per hoofdstuk het vergrootglas op een ander familielid of gebeurtenis legt en zo een grote hoeveelheid aan verhalen vertelt, die ingenieus in elkaar grijpen. Daardoor is haar roman behalve een fascinerend familierelaas ook een caleidoscopische geschiedenis van het Duitse keizerrijk en de Weimarrepubliek tegen de achtergrond van de door Hitler verwoeste cultuur van de Duits-Joodse bourgeoisie.

In dit heerlijke rad vol verhalen werd Waldemar Goldschmidt, de geniale broer van Emmanuels vrouw, me het dierbaarst. Als wereldberoemd liberaal jurist, privaatdocent aan de Berlijnse universiteit en regeringsadviseur kan hij in het keizerrijk geen professor worden, omdat hij zich niet christelijk wil laten dopen. Stokoud maar onbevreesd voor de nazi’s wacht hij in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog zijn lot af. Zijn uiteindelijke ondergang is het definitieve einde van een tijdperk, dat door Gabriele Tergit indrukwekkend is verwoord.