Recensie

Recensie Boeken

Deze dichter gaat de duistere werkelijkheid te lijf met een onstuitbare taallust

Willem Thies De destructie die de mens aanricht in de natuur staat centraal in de dichtbundel Schoon. (●●●●)

Foto James Stone

De nieuwe dichtbundel van Willem Thies, een ‘gratis downloadbaar e-book’, was bijna aan mijn aandacht ontsnapt. Ik moet bekennen dat ik e-books liever mijd. Ik kan me bij het lezen, papiergetraind als ik ben, niet goed concentreren op een scherm. Daarbij kan ik niet in de kantlijn en tussen de regels schrijven zoals ik dat gewend ben op papier. En hoe moet ik een ezelsoor vouwen in een scherm?

Schoon, de nieuwe en zesde dichtbundel van Willem Thies (1973), is op papier te bestellen voor een paar dollar waarvan de opbrengst ten goede komt aan een bomenfonds. Inclusief verzendkosten komt de bundel op acht dollar, ruim de helft van wat een dichtbundel doorgaans kost, met een gemiddelde prijs van twintig euro.

Gras en dwergstruik smeulen

Twintig euro! Wie kan en wil zich het lezen van poëzie op papier nog veroorloven?

Een e-book is misschien nog niet zo’n slechte optie. Daarbij ondersteunt deze milieuvriendelijke vorm van Schoon de inhoud waarin de destructie die de mens in de natuur aanricht centraal staat, zoals in het gedicht ‘Het is opgemerkt’:

De Noordpool brandt.

Een scherf op de mossige steppen van Groenland versterkt de zon

laat gras en dwergstruik smeulen, vlam

vatten. Maak laatste aantekeningen, zo begint het, hoog reikende kampvuren,

het Eindefeest. Het is opgemerkt. En wat dan nog.

Thies is uitbundig én subtiel in zijn taalgebruik; het is een genot om me in zijn woorden onder te dompelen – ook wanneer wat hij schetst, wreed is en schokkend. De discrepantie tussen stijl en onderwerp, tussen interpretatie en feit, zet de uitzichtloze situatie waarin de mens is beland, onder spanning:

Drink voldoende, lever geen uitzonderlijke fysieke inspanning, en laat

de boomgrens, kustlijn

oranjegloeien, zwartgroeien, verbrokkelen, met zacht gekraak instorten.

Het zijn maar constructies

van de natuur. Bouwwerken. Een ritueel offer. Wierook. Laat de kreken

branden en maak

laatste aantekeningen.

De bundel vangt aan met een indrukwekkende processie, waarin observaties, als lichamen in een stoet, voorbij komen.

Er was een vrouw die haar hoofd had kaalgeschoren

en het haar grijs en kort

liet teruggroeien. Misschien was haar jeugdvriendin gestorven.

Zoek je eigen lichaam in de stoet die voorbijkomt.

Na een dag verliezen vliegende mieren hun vleugels.

Alle treinstations zijn verweesd.

De helikopters klutsen de lucht.

Alleen de vrouw met kaalgeschoren hoofd waarmee ‘Processie’ begint, krijgt een direct persoonlijk terzijde van de dichter: ‘Misschien was haar jeugdvriendin gestorven’. Opvallend genoeg maakt juist het ontbreken van een dergelijke toevoeging in de daaropvolgende regels duidelijk dat een objectieve waarneming een illusie is. Elke observatie is persoonlijk, ook als deze zich voordoet als feitelijk. Dat alle treinstations ‘verweesd’ zijn, is een persoonlijke indruk, net zoals de treffende observatie dat helikopters niet vliegen, maar de lucht ‘klutsen’ dat is.

Het is alsof Thies afstand zoekt tot zijn omgeving door middel van taal. Hij probeert er zo objectief mogelijk naar te kijken. Maar zodra hij precies wordt en verfijning aanbrengt – en wat kun je anders als dichter? – zet hij diezelfde omgeving naar zijn hand. Deze tweespalt maakt dat de regels van Thies geladen zijn met noodzakelijkheid. Ook al kan hij niet ontsnappen aan zichzelf (ook niet wanneer hij het probeert in de wij-vorm), aan zijn eigen uitdrukkingswijze, hij blijft het proberen, ook in het vervolg van ‘Processie’:

Drones lichten rood op en doven.

We tekenen het oeuvre van de doden op.

Wolhandkrabben lopen over de bodem van het IJ om te paren.

Een veerpont stoot tegen het land.

De krabben die over de bodem van het IJ kruipen, gaan voorop in nog een andere processie, een bonte stoet dieren die door de bundel trekt: rode rivierkreeften, Egyptische nijlganzen, ratten, dode dieren verpakt in plastic (‘iets wat roze is en geschoren/ op glad papier. Porno. Varkens. Vlees. Ik voelde me plots erg eenzaam/ Overal gestorven dieren. In de winkel verpakt in plastic. Plastic ruikt naar niks. Plastic ruikt naar dood en seks’), binnenstebuiten getrokken mensen als slachtdieren, een huiskat, een verminkte sprinkhaan, honden, merels, maniakale paarden en een schaap waar vleeslagen vanaf worden geschoren door een vriendelijke ‘shoarmazaakhouder’, vormen een optocht door een duistere wereld. Een wereld die maar al te herkenbaar de wereld is waarin ik leef.

Moed en troost

Het bijzondere aan deze gedichten is dat ze worden geschreven door iemand die – ondanks alle verminking en destructie die hij optekent – de moed niet opgeeft. De dichter zoekt troost of afleiding in taal, taal soms ook uit een voorbije wereld – een droom die aan een vreemde taal lijkt te zijn ontleend en vervreemding bewerkstelligt, maar een verlangen naar verbondenheid beschrijft:

In droom een man wandelde en de bomen helden voorover rondom hem.

Het loof van de bomen lichtte op

als een bergtop boven de grens, het hoofd van de man

verzonken in zichzelf, omsloten, omkranst.

Iets in zijn gang, zijn kin, zijn kaak, zijn kruin. De intimiteit.

De vertrouwdheid van het lichaam van een vriend die men voor het eerst ziet.

De grote kracht van Thies is dat hij betekenis laat ontstaan, zonder er direct op te wijzen. De assonerende klanken in het droomgedicht (kin, kaak, kruin) geven het naderen van de man een eigen logica. Bestaat een vriend die men voor het eerst ziet? In het universum van Thies bestaat hij uit een verlangen. Hij zet deze zo overtuigend neer, dat ook ik hem lijk te kennen. En hem nog ga missen ook.

In een titelloos gedicht schrijft de dichter dat hij van zijn vrouw houdt ‘omdat zij haar huiver durft te schrijven haar afschuw haar donkerte’. Thies doet waarvan hij zegt te houden: hij confronteert zichzelf en zijn lezer met een duistere werkelijkheid en gaat deze te lijf met een onstuitbare taallust, die pure schoonheid oplevert:

zwavelgeel de dode vaandels van de koninginnenpage

van thorax tot slippen, de achtervleugels rood aangestipt

de slaapbollen knikken in het klaverveld het grasland aan de rand

van prikkeldraadstruiken zwarte bramen waaraan een streng

paardenhaar een penseel zonder steel