Waarom je beter dichtbundels kunt lezen dan bloemlezingen

Gedichten met Deckwitz #3 Hoe lees je een gedicht? In deze serie helpt dichter en columnist Ellen Deckwitz je van je drempelvrees af. Les 3: een dichtbundel is meer dan een verzameling verzen.

Illustratie Jenna Arts

 

Laatst had het neefje weer eens een geniale (volgens hem dan) inval.

„Waarom”, begon hij, „heb jij eigenlijk zoveel bundels? Is het niet beter om gewoon zo’n poëziebloemlezing te lezen, dat scheelt toch tijd?”

„Hoezo scheelt dat tijd?”

„Nou, dan heeft iemand het voorwerk al gedaan, de beste gedichten er al uitgepikt!”

Ja, zo lust ik er nog wel een paar. Allereerst zijn de gedichten die in een bloemlezing belanden natuurlijk gebaseerd op de smaak van de bloemlezer. Net zoals bij een prijs of de eindejaarslijstjes in de krant kan je veel moois mislopen als je alleen op het oordeel van een ander vaart. Bovendien is het lezen van een bundel iets heel anders dan het lezen van een losstaand vers: juist doordat er een selectie heeft plaatsgevonden en er een bepaalde volgorde is aangebracht, kunnen de gedichten in een bundel een eigen verhaal vertellen, een onverwachte thematiek naar voren brengen.

Daarom vind ik bundels leuker dan bloemlezingen, om te zien hoe de verzen soms contrasteren, door herhaling elkaar versterken en dat steeds terugkerende symbolen telkens van een nieuwe laag worden voorzien. Compositie is een vak apart en net zoals bij het betere album gaat het niet alleen om die ene hit, maar ook om de caleidoscoop aan sferen en stemmingen die de verschillende nummers in je losmaken.

Lees ook de recensie van Vonkt: Zoeken naar die oerkracht

Sommigen willen als ze dit horen misschien meteen aan de migraineremmers. Een los gedicht duiden is al ingewikkeld genoeg, en nu kan de bundel zelf ook nog eens worden geïnterpreteerd? Maar zoals bij wel meer dingen is de gedachte hier zwaarder dan de uitvoering. Een van mijn lievelingsbundels is Vonkt (2017) van Marije Langelaar. De afzonderlijke gedichten zijn al prikkelend, speels en grappig maar door de opbouw van het geheel ontstaat er een gelaagde geschiedenis, waarbij stilstand en verandering met elkaar op gespannen voet staan. Een van de spilpunten van Vonkt is een relatiecrisis: een man en een vrouw blijven bij elkaar voor hun kind terwijl het echt voor iedereen beter zou zijn wanneer ze uit elkaar gingen. Deze impasse levert verrassende gedichten op: de hoofdpersoon vraagt zich bijvoorbeeld in een zeker vers af hoe het zou zijn om een stoel te zijn: „het was zalig […] een bestaan zonder bloed of gedachten.” Deze regels zijn op zich al tragisch: hoe erg is het met je gesteld als je liever uit hout bestaat dan uit vlees? De rest van de bundel voegt daar echter dimensies aan toe waardoor het op een zeker moment begrijpelijk wordt dat iemand liever een meubelstuk is.

Een van de pijlers van deze bundel is de wens om te veranderen wat resulteert in metamorfosen waarvan Ovidius zou gaan watertanden: mensen en dieren worden uit hun huid geritst, veranderen in hazen of in stoelen. Door de overkoepelende thema’s ga je verbanden tussen de afzonderlijke verzen leggen, lagen opmerken en zo wordt de bundel een toverbal aan betekenis, tragiek en zelfs hilariteit, zoals wanneer een kat de omvang van een tuin krijgt: „u begrijpt ik/ werd een beetje bang want wel goed spinnen en/ vlijen maar nagels zo groot als harpoenen een bek/ met lange walrustanden ahum dacht ik.”

„Maar moet ik elke bundel zo intens gaan lezen”, jammerde mijn neefje toen ik een enthousiaste maar vooral ongevraagde monoloog over Vonkt had afgestoken. Nee gast, natuurlijk niet. Het hóéft niet maar het kán, dat is het machtige. Net zoals je na het eten van een vijfgangendiner ook geen analyse hoeft te maken over de smaaklagen en in hoeverre de wijnen aansloten op de amuse. Niemand dwingt je, maar als je ervoor open staat valt er gewoon zoveel meer te ontdekken.

Het geheel is iets anders dan de afzonderlijke delen. Sommige gedichten in Het woedeboek (2018) van Roelof ten Napel gaan bijvoorbeeld over een prille liefde, andere over het loskomen van een religieuze familie. Samen vormen ze een prachtige en verdrietige vertelling over jezelf vinden, juist doordat liefde en thuis niet noodzakelijk hetzelfde zijn.

Lees ook: Hoe deze gereformeerde dichter van zijn geloof viel

In Roeshoofd Hemelt (2005) van Joost Zwagerman staan gedichten over de consumptiemaatschappij tegenover verzen over geestesziekte en ontstaat er zo een verontrustend betoog over hoe weinig grip je hebt op je leven, wat je ook allemaal kunt kopen en/of beweren. En in Pitten schieten (2016) van Fleur Bourgonje weet je door hoe de verschillende afdelingen op elkaar inhaken op een zeker moment niet of er nu één lange ode aan het leven wordt gebracht of juist aan de dood.

Wanneer je een bundel leest ga je vergelijken en zo ontstaan er overlap, motieven, contrasten, tonen en tegenstemmen. En dat alles kan de afzonderlijke gedichten van extra ladingen voorzien. Natuurlijk zijn er altijd dingen die je over het hoofd ziet als je een bundel leest, maar dat is ook zo wanneer je een film kijkt, met je geliefde praat of je gloednieuwe eenhoorn uitlaat. Het gaat er niet om wat je mist, maar om wat je zíét. En hoe meer standpunten, hoe meer er te beleven valt.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.