Opinie

Je moet er vijf meter van maken, mínstens

Foto Merlijn Doomernik

De laatste keer dat ik opa zag, lachten we samen met twee van zijn lunchvrienden om de moeder van een vriendin van mij die honderden mondkapjes had ingeslagen. „Als je jong bent, geloof je alles wat je in de krant leest”, zei opa’s vriend met de jampotglazen (want voor mensen zoals opa zijn de ouders van mijn vrienden jong). „Maar wij hebben al die verhalen al duizend keer gehoord.”

Volgens de vriend met de volle, witte haarbos moesten kranten eens vertellen hoe aardig mensen zijn. „Als ik een stukje wandel met mijn rollator, stopt zelfs de grootste hufter om me over te laten steken!”

De Bril knikte: „Op onze leeftijd is liefde het enige wat overblijft.”

Toch was de hele tafel ervan overtuigd dat er binnenkort weer een oorlog zou uitbreken. Volgens De Bril hadden we dat nodig om te verbroederen. Toen ik vroeg of dat niet zonder oorlog kon, riep hij: „Welnee! Zo werken de mensen niet. Ze zullen altijd een schuldige zoeken voor hun problemen. En wie is de schuldige?”

De Haarbos, met veel gevoel voor theater: „De ander.”

De Bril: „Pas in noodsituaties beseffen we dat we niet zonder elkaar kunnen.”

Opa kan zich dat gesprek nu niet meer herinneren, maar die moeder met die mondkapjes is hij niet vergeten. „Dat was dus toch een pientere tante!”, lacht hij aan de andere kant van de lijn. Inmiddels is zijn verzorgingstehuis op slot en zit ik met huisarrest in Parijs. Zijn lunchvrienden heeft hij al weken niet gezien, want iedereen eet nu in zijn eigen kamer.

Dan vraagt hij: „Hoe heet dit virus ook alweer?”

„Corona”, zeg ik.

„Ja, corona!”, zegt hij. „Mijn ouders hadden de Spaanse griep, wij hadden de Tweede Wereldoorlog, en jullie krijgen dit.”

Hij vertelt me, voor het eerst, dat hij op zijn tiende bijna is overleden aan een longontsteking. „Als onze huisarts toen niet het juiste medicijn had gehad, dan had je mij nooit gekend.”

Ik zeg: „Dan had ik überhaupt niet bestaan.”

Opa lacht: „Dat is natuurlijk zo.”

Opa behoort tot de grootste risicogroep, maar hij lijkt zich vooral zorgen te maken om ons, zijn nageslacht. „Ik wil jullie niet zo achterlaten”, zegt hij.

Dan drukt hij me op het hart om vijf meter bij andere mensen vandaan te blijven. „Anderhalve meter”, verbeter ik hem. Omdat hij zijn vergissing niet wil toegeven, of misschien gewoon omdat hij heel van me houdt, zegt hij: „Daar moet je vijf meter van maken, mínstens!”

En wat dit virus verder allemaal betekent en wat er nu gaat gebeuren, dat weet hij niet hoor. „Dat is aan jouw generatie om dat uit te vinden.”

Raoul de Jong (36) zoekt in 2020 elke maand zijn opa (90) op voor een levensles.