Libanezen pikken geldgebrek en lockdown niet meer

Rellen De Libanezen hadden het al slecht voor het coronavirus kwam. De lockdown maakte het nog erger. In de arme stad Tripoli is het geduld op.

Een Libanese demonstrant.
Een Libanese demonstrant. Foto Patrick Baz / AFP

In de Libanese stad Tripoli is het al twee dagen achtereen tot hevige rellen gekomen, die zich ook naar de hoofdstad Beiroet en andere plaatsen hebben uitgebreid. Er vielen maandagavond in Tripoli een dode en een aantal gewonden, terwijl veel banken en winkels in vlammen opgingen. Om de lockdown wegens het coronavirus bekommerden ze zich niet meer. Het Libanese leger greep hard in tegen de demonstranten.

Als een verrassing kwam de onrust niet. „Veel arme mensen mogen niet naar buiten, kunnen niet werken, hebben dus geen inkomsten meer en krijgen honger”, zegt Khaled Merheb, een advocaat uit Tripoli over de telefoon. „Ik kreeg een boodschap van een kennis, die vroeg of ik hem kon helpen. Hij had geen geld meer om eten te kopen voor zijn kinderen.”

Het is geen toeval dat de vlam juist in Tripoli in de pan sloeg. Vanouds is het een van de armste steden in Libanon. Ongeveer de helft van de inwoners leeft er beneden de armoedegrens. „De situatie in Tripoli is nu zo slecht dat mensen hun gouden sieraden verkopen. Dat is nog nooit eerder gebeurd. Velen zeggen nu: het is beter aan corona te sterven dan van de honger”, vertelt Mohammed Kabbara, een student uit Tripoli die een master-opleiding in Tilburg volgt. Die opvatting wordt nog versterkt doordat, mede door de lockdown, grote uitbraken van het virus zijn uitgebleven.

Lees ook: Libanon kan staatsschuld niet meer betalen

Diepe economische crisis

Al voor het coronavirus in Libanon opdook was de toestand gespannen omdat het land in een diepe economische crisis was beland. Het Libanese pond is het laatste halfjaar op de valutamarkt gekelderd tot minder dan de helft van zijn oude waarde. Burgers mogen al maanden slechts kleine sommen bij de banken opnemen.

Veel Libanezen schrijven de problemen grotendeels op het conto van de ‘politieke klasse’, de traditionele elite die politiek en economisch de dienst uitmaakt in Libanon en zichzelf doorgaans vorstelijk bedeelt, vaak op kosten van de rest van de samenleving. De rijken, die ook de particuliere banken bezitten, worden er ook van beschuldigd voor miljarden aan valuta naar het buitenland te hebben gesluisd. Al vorige herfst was de Libanese staat ruim de helft van zijn inkomsten kwijt aan rentebetalingen.

Uit onvrede met deze situatie ontstond er vorige herfst al een brede protestbeweging, die tot massale demonstraties in vooral Beiroet leidde. De betogers eisten een nieuwe regering van mensen die niet tot de oude elite behoorden. In plaats daarvan trad er na veel gesteggel een ploeg aan onder leiding van premier Hassan Diab die toch weer goeddeels vertegenwoordigers van de oude partijen telde.

Na de rellen deze week gaven politici en de gouverneur van de centrale bank, Riad Salameh die de post al 27 jaar bekleedt, elkaar de schuld. Premier Diab wil wel hervormen maar met een vrijwel lege staatskas en een wankele politieke positie is dat lastig.

Steun van het buitenland en het IMF lijken onmisbaar. „Er zijn wel landen die willen helpen”, zegt advocaat Merheb. „Maar die eisen allemaal dat er hervormingen worden doorgevoerd. De regering heeft daar al veel te lang mee gewacht maar het is er nog steeds niet te laat voor.”