Lachen om Lijpie Smoel

Ewoud Sanders

Woordhoek

Omdat ik af en toe een beetje gallig word van al dat binnen zitten, heb ik me de afgelopen weken verdiept in iets waar veel Nederlanders ooit hard om konden lachen: het op een malle manier Joden napraten. Terugkijkend is dat politiek incorrect in de overtreffende trap, maar het is ook veelzeggend en taalkundig interessant, dus hier een korte samenvatting van mijn bevindingen.

Tussen grofweg 1780 en 1920 zijn er zeker honderd sketches en liedjes verschenen die zijn gesteld in wat indertijd het Joodse dialect of de Joodse tongval werd genoemd. Ze werden door het hele land voorgedragen op feesten, partijen, bruiloften en culturele avonden. Dominees gebruikten ze ter onderbreking van stichtelijke lessen, bekende schrijvers declameerden ze op sociëteiten van de gegoede burgerij. Ze maakten deel uit van een groter geheel: ook „luimige voordrachten” over onder meer boeren en buitenlui deden het toen goed.

Meestal worden Joodse straathandelaars nagebootst. Voddenopkopers, brillen- of zuurverkopers met namen als Moses Voddemand, Lijpie Smoel en Nathan Zierkool. Hun vrouwen heten veelal Saar(tje) of Rachel(tje). In de regieaanwijzing bij sommige stukjes staat dat er een grote neus moet worden opgeplakt en dat er druk moet worden gegesticuleerd. Het publiek moest soms liedjes meezingen die deel uitmaakten van de voordracht: allemaal in ‘Joods dialect’.

In de teksten vind je woorden, uitroepen, uitdrukkingen en grammaticale constructies die als typisch Joods werden beschouwd. Tamelijk standaard zijn woorden als gojim (‘niet-Joden’), massematten (‘handel, negotie’), memmele (‘moeder’), moos (‘geld’) en sjofel (‘armoedig’). Je vindt er uitroepen als attenoje (‘mijn Heer!’), begotje, nah en o waai! o waai! Plus zegenwensen als blijf gezond en verwensingen als krijg de koorts.

De Joodse uitspraak (voor de oudere lezers: denk aan Max Tailleur) wordt meestal weergegeven door de letter h aan een woord toe te voegen en door bepaalde klinkers (i en e) en medeklinkers (p, t, k) te vervangen. Zo wordt ik ben tot hik bin. Tot slot grossieren deze teksten in grammaticale constructies die als typisch Joods-Nederlands werden beschouwd. Eén voorbeeld: „Ik zal je zeggen hoe as het komt dat ik je niet bin kommen staan eerder te schrijven.”

Er zaten flinke kaskrakers tussen. Op 25 december 1854 verscheen in Amsterdam een gedrukte brief die zogenaamd was geschreven door Levie Mozes Zadok (in werkelijkheid: Jan Schenkman), gericht aan zijn memmele in de Jodenbuurt. Binnen twee weken werden er elfduizend van verkocht. Ook van de tweede brief vlogen er elfduizend over de toonbank. In de maanden erna werden van liefst tien concurrerende titels ruim 28.000 exemplaren verkocht.

Eind 1894 had een Gorinchemse uitgever een hit: Brief uit Lombok van Nathan Hertzleb an zen lieve memmele Saortje Hertzleb te Amsterdam. In een vakblad schreef hij: „Wie ze voorhanden heeft, verkoopt ze. Eene firma in Den Haag bestelde mij in 10 dagen tijds 2000 exemplaren. Men behoeft ze slechts voor de glazen te leggen om ze te verkopen.” En in advertenties: „Wie lachen wil, koope den Brief uit Lombok!” Toeval of niet: hij verkocht er ruim achtduizend in een tijd dat ook Nederlandse dagbladen volstonden met berichten over de Dreyfus-affaire.

P.S. Die Lombok-brief is helaas niet aanwezig in openbaar bezit, mail me svp als u een exemplaar weet te vinden (post@ewoudsanders.nl)!

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.