Kostbaarheden onder het Noorse ijs

Archeologie Nu speelt de Lendbreen-bergpas geen rol meer, maar vroeger werd de route door het Noorse hooggebergte intensief gebruikt.

Op de bergpas Lendbreen, van boven naar beneden: een bitje voor lammeren of geitjes, 11de eeuw; archeologisch veldwerk na een sneeuwstorm in augustus 2013; een houten ‘tang’ om veevoer vast te zetten in karren, 5de eeuw.
Op de bergpas Lendbreen, van boven naar beneden: een bitje voor lammeren of geitjes, 11de eeuw; archeologisch veldwerk na een sneeuwstorm in augustus 2013; een houten ‘tang’ om veevoer vast te zetten in karren, 5de eeuw. Foto’s secretsoftheice.com

Door de klimaatopwarming duiken de laatste jaren in berggebieden veel stokoude voorwerpen op van onder het smeltende ijs. Het is een schat voor archeologen, die er wel vlug bij moeten zijn omdat bederf snel intreedt buiten het ijs.

In Noorwegen zijn nu dankzij dit type vondsten duizenden jaren van gebruik van een bergpas op bijna tweeduizend meter hoogte gereconstrueerd. In de verhalen van omwonenden speelt die Lendbreen-pas (250 km ten noordwesten van Oslo, halverwege tussen Trondheim en Bergen) geen enkele rol meer als verbindingsroute, maar uit de ongeveer 800 voorwerpen, 150 botten en geweien, en ook 100 cairns (steenhopen) blijkt juist een intensief gebruik tussen de bronstijd en de late Middeleeuwen (2000 v.Chr. tot ca 1400 n.Chr.). Een aantal vondsten zijn gedateerd met C14. Er is zelfs een oude schuilplaats voor plotseling slecht weer gevonden, zo schrijven twee Noorse archeologen en een Brit deze maand in een uitvoerig artikel in het tijdschrift Antiquity.

Heel intensief gebruikt

In feite blijkt deze pas de belangrijkste in het gebied te zijn geweest, de andere passen missen zo’n schuilplaats en hebben ook veel minder cairns als wegwijzer. De door de steenhopen en de ‘gevonden voorwerpen’ aangeduide weg gaat soms over heel ruw terrein dat met een sneeuwlaag wel redelijk begaanbaar was.

Het onderzoek bevestigt eerdere algemene conclusies uit de ‘ijs-archeologie’ dat het hooggebergte in de prehistorie en ook later veel intensiever werd gebruikt dan werd gedacht. De omslag in dat denken begon waarschijnlijk met de vondst van de 5.000 jaar oude ijsmummie Ötzi, in 1991 in de zuidelijke Alpen. Met zijn vrijwel volledig bewaard gebleven berguitrusting toonde hij volkomen thuis te zijn in het afgelegen gebied.

Lees ook Ötzi de ijsmummie blijft verrassen

Het verhaal van de Noorse bergpas valt uiteen in twee fases. In de periode 1750 tot 500 v.Chr. werd er vooral gejaagd op rendieren, zo bleek uit vondsten uit die tijd: jachtpijlen, een houten ski en ook een ‘schrikstok’, om dieren op te jagen. De inmiddels smeltende ijsplaat op de pas trekt rendieren aan, die er parasieten kwijt kunnen raken en hun temperatuur reguleren: ideaal jachtgebied.

Archeologisch veldwerk op de bergpas, na een sneeuwstorm in augustus 2013.

Foto secretsoftheice.com

Daarna is er een hiaat in de archeologische vondsten (maar niet in de ‘biologische’ vondsten die konden worden gedateerd) zodat in de eeuwen rond het begin van de jaartelling kénnelijk weinig gebruik werd gemaakt van de pas.

In de periode 300 tot 1400 is het gebruik weer intensiever, omdat de Lendbreenpas belangrijk werd als toegang naar zomerweiden verderop in de bergen en als handelsroute. Het vee (koeien of schapen) werd na de winter uit lager gebied naar die hoge weiden gebracht en aan het eind van de zomer ging alles weer terug. Onder meer een bitje voor lammetjes of geitjes, om te verhinderen dat ze te veel melk bij de moeder drinken, wijst op dat vervoer.

Een houten ‘tang’ om veevoer vast te zetten in karren, 5de eeuw.

Foto secretsoftheice.com

Ook werd veevoer van de weiden naar de vaste boerderijen in het dal gebracht. Dat blijkt onder meer uit de vondst van verschillende ‘tangen’, vreemd gevormde takken waarmee gras of bladeren vastgezet werd op karren. De archeologen leggen een verband met de Vikingtijd, voor Noorwegen een tijd van intensivering van de handel en landbouwproductie voor een grotere markt.

De meest bijzondere vondst: een wollen tuniek van 1.700 jaar oud

Al van het begin van die tweede periode dateerde de meest bijzondere vondst op de bergpas met de wijkende ijsplaat: een vrijwel volledige geweven wollen tuniek van rond het jaar 300, versleten maar verder van uitstekende kwaliteit. Verder zijn alleen kapotte stukken textiel gevonden. Wie laat er in het hooggebergte zo’n waardevol warm kledingstuk achter, vragen de auteurs zich af. Misschien iemand die door onderkoeling gekke dingen ging doen, opperen ze.