Opinie

Interview met Het Virus

Frits Abrahams

Tot dusver wimpelde Het Virus alle verzoeken om interviews gedecideerd af, maar na lang aandringen wilde hij voor mij een uitzondering maken. Waarom voor mij? Omdat hij wilde laten zien dat hij, in tegenstelling tot wat steeds over hem beweerd wordt, „juist zeer gesteld is op kwetsbare oudjes”.

Ik trof hem op de bovenste etage van een groot Amsterdams hotel dat hij voor zichzelf en zijn uitgebreide staf gehuurd had. Ik had me een man voorgesteld met een naargeestig hoofd, chagrijnig, slecht geschoren, uitpuilende ogen en een minachtende grimas om de lippen – zeg maar het clichébeeld van een engerd. In werkelijkheid bleek hij een man van in de zestig met een kalend, bebrild hoofd, zachtmoedige trekken en een verstrooide blik – zeg maar het clichébeeld van een intellectueel.

Hij gaf me geen hand („Jullie willen toch anderhalve meter”, mompelde hij) en ging me voor naar zijn werkkamer waar de orde van een gedisciplineerde werker heerste.

Waar moest ik beginnen? Ik was op van de zenuwen en wist het niet meer goed. Hij merkte het en zei: „Doe maar rustig aan, u heeft nog alle tijd.” Legde hij een accent op dat ‘u’ of verbeeldde ik me dat alleen maar? Ik vroeg hem zo neutraal mogelijk of hij voldaan was over zijn prestaties van de afgelopen maanden.

„Zeker”, knikte Het Virus, „het heeft mijn stoutste verwachtingen overtroffen. Ik had wel op verspreiding buiten Wuhan gerekend, maar wie had gedacht dat ik de hele wereld zou kunnen omvatten? Als virus kun je wel van alles willen, maar je bent niet alleen op de wereld – nog niet in ieder geval – en zo lang ben je afhankelijk van anderen.”

„U bent inmiddels wel tevreden over de medewerking van die anderen?” vroeg ik. „Ik mag niet klagen”, zei hij, „vooral jullie in het Westen, tot en met Trump, Johnson en het RIVM aan toe, hebben me eerst enorm onderschat waardoor ik ongestoord mijn gang kon gaan. Vooral in die carnavalsperiode was het heerlijk werken. Daarna raakten jullie in paniek en gooiden jullie de hele samenleving op slot.”

„Het gaat nu weer beter bij ons”, wierp ik voorzichtig tegen. „Wacht maar af”, zei hij, „ik heb geduld, ik kan wachten. Jullie kunnen je niet eeuwig in jullie huisjes verbergen.”

„Wij stellen ons in op het gevaar met allerlei maatregelen”, hield ik hem voor. Hij stiet een vreugdeloze lach uit. „Ja! Dat gedoe met anderhalve meter en mondkapjes. Hoe lang denken jullie dat vol te houden? Jullie beginnen nu al te versoepelen uit angst dat de mensen in opstand zullen komen. Van Boxtel, de NS-directeur, wil die anderhalve meter in de treinen laten vervallen. Hij denkt dat mondkapjes voldoende zijn. Ha! Het is net zo belachelijk als die injecties met bleekwater van Trump.”

„Vindt u het eigenlijk wel ethisch wat u doet?”, waagde ik. Hij keek bijna bedroefd. „Jullie zien mij als een massamoordenaar”, zei hij, „maar ik ben niet in moorden geïnteresseerd. Je moet mij eerder zien als een geniale scenarioschrijver. Ik probeer duivelse dilemma’s, zoals jullie dat noemen, te verzinnen. Hoe kan ik het Westen tegen het Oosten opzetten, hoe Jong tegen Oud, hoe Gezond tegen Ziek?”

„Wie zal er winnen?” vroeg ik. Hij lachte kort. „Uiteindelijk jullie, maar ik heb nog enkele verrassende plotwendingen in gedachten.”