Opinie

China zit de VS militair al dicht op de hielen

Maarten Schinkel

Ze lijken wat op de achtergrond te raken, de twee megathema’s van deze eeuw: de klimaatverandering én de machtsverschuiving in de wereld. De coronacrisis eist vrijwel alle aandacht op, maar op de achtergrond gaan de twee andere grote ontwikkelingen natuurlijk door.

De eerste, de klimaatverandering, wordt op korte termijn getemperd door het wegvallen van een flink deel van de economische activiteit. Of de klimaatvooruitzichten er duurzaam door veranderen valt te bezien. Goede voornemens genoeg, maar die hebben de onhebbelijkheid weg te smelten als (áls) economie en samenleving in hun oude vorm herstellen.

Het tweede thema van deze eeuw, de machtsverschuiving van de Verenigde Staten naar China, gaat onverminderd door. De geopolitiek deskundige Ian Bremmer zei nog afgelopen weekeinde in deze krant rekening te houden met een nieuwe Koude Oorlog, nu tussen China en de VS.

In Amerikaans voordeel spreken de – nu nog – grotere economie en het militaire apparaat dat het machtigste ter wereld heet te zijn. Maar dat is een kwestie van tijd. Met de huidige groeivoet duurt het nog iets meer dan tien jaar voordat de Chinese economie, gemeten in harde dollars, groter is. Op basis van koopkrachtverschillen is China dat al. Maar koopkrachtverschillen zijn alleen intern van belang. Macht en invloed buitengaats koop je met harde valuta.

Dat geldt, belangrijk genoeg, niet voor militaire invloed. Daar tellen de omvang van leger, luchtmacht, vloot, en de technologische en logistieke vorderingen op militair gebied. En als je soldaten minder verdienen en je je spullen veel goedkoper bouwt dan je rivaal, dan heb je dus een voordeel.

Maandag kwam het Zweedse instituut SIPRI (Stockholm International Peace Research Institute) met zijn jaarlijkse telling voor de militaire uitgaven in de wereld. De Verenigde Staten geven verreweg het meest uit: 732 miljard dollar, of 3,4 procent van het bbp. Maar die inspanning loopt, vooral door de beëindiging of vermindering van betrokkenheid in conflicten in bijvoorbeeld Irak of Afghanistan, terug. In 2010 bedroegen de Amerikaanse defensie-uitgaven nog relatief anderhalf maal zo veel: 4,9 procent van het bbp.

China geeft naar schatting 261 miljard dollar uit, 1,9 procent van het bbp. Dat lijkt weinig. Maar Beijing krijgt veel meer soldaat voor die dollars. De Chinese defensiekoopkracht – hoeveel ben je kwijt voor die soldaat, dat patroon, die tank of dat vliegtuig – is veel groter. De koopkrachtcorrectie zou hier, als we op de ppp (purchasing power parity)-cijfers van het IMF afgaan, ruim 1,9 moeten bedragen.

Zo berekend, op basis van koopkrachtpariteit, geeft China 504 miljard dollar uit. Dat komt al dichter in de buurt van die 732 miljard van de Verenigde Staten. Maar er telt nog iets mee: Amerika zorgt, terecht, goed voor zijn veteranen. In de begroting voor dit jaar van 724 miljard, is dat goed voor een post van 215 miljard – zo’n 30 procent.

Pensioenen en dergelijke zijn in veel westerse landen een behoorlijk deel van de defensie-uitgaven, maar ze zijn relatief veel kleiner dan die in de VS. In Nederland maken pensioenen en wachtgelden een achtste uit van de defensiebestedingen. Het valt aan te nemen dat deze uitgaven, zelfs gecorrigeerd voor koopkracht, ook in China minder uitbundig zijn.

Nu zijn er proefschriften te schrijven over wat er allemaal wel en niet meetelt bij defensiebestedingen én bij uitgaven aan gepensioneerden en veteranen, maar een voorzichtige conclusie is wel te trekken. De Chinese militaire uitgaven zitten in de praktijk al dicht op de Amerikaanse. Ook in dit opzicht is de race om de hegemonie tussen China en de VS veel spannender dan je zou denken.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.