Opinie

Onderbroken

Ellen Deckwitz

En dus vierden we Koningsdag per Skype, waarbij ik op afstand de zelfgemaakte oranje tompouces van mijn neefjes (11 en 13) bewonderde. Hun moeder zat er chagrijnig naast. „Gaat het?”, vroeg ik. „Ik baal”, zei ze, „Koningsdag is elk jaar de aftrap van het festivalseizoen en met alle afgelastingen, van Pinkpop tot en met Lowlands, is er gewoon zo weinig om naar uit te kijken.”

Tja, dat is zeker voor een festivalbeest als mijn zus moeilijk. Voor haar zal het een hele lange zomer worden, monotoon als een brandalarm.

„Het frustrerende is dat we het onszelf aandoen, natuurlijk voor het grotere goed”, sipte ze, „maar het is wel echt saai hoor. Het bestaan is veranderd in één langgerekte coïtus interruptus.”

„Cowietus wattes?”, vroeg het jongste neefje.

„Dat je een stuk tompouce wel in je mond mag stoppen maar niet mag doorslikken”, zei zijn moeder. Op de achtergrond zag ik zijn broer kokhalzen, maar dat was zijn eigen schuld, dan had hij maar niet zo zijn best moeten doen voor Latijn.

„Trouwens”, zei ik, „er zitten ook voordelen aan coïtus interruptus. Weet je hoeveel vervelende oudooms en -tantes ons op die manier bespaard zijn gebleven.”

„Oh God”, zei mijn zus, „nog meer oudoom Karels”, verwijzend naar het misantropische familiehoofd van wie we veel houden, maar dat is waarschijnlijk vooral gewenning.

„En toch, ook al vervelen we ons te pletter voor het grote goed, moeilijk is het wel”, pruilde mijn zus.

We sloten af en de rest van de dag lag ik op mijn balkon een beetje te piekeren over ons eentonige bestaan. Misschien, dacht ik, valt het wel mee. Kunnen we met balkondansen en online bandjes kijken net doen alsof we op een echt festival zijn, onszelf wijsmaken dat we er even uit zijn. Maar ja, de wetenschap dat het anders kan, dat we het met een afgekalfde versie moeten doen, werpt over ieder optimisme een schaduw. Ik vind het moeilijk om aan mezelf toe te geven hoezeer ik nog op het verleden ben afgestemd. Dit weekend nog zocht ik op zolder naar mijn tent voor de jaarlijkse campingtour met de neefjes, tot ik besefte dat dat er voorlopig niet meer in zit.

Eigenlijk, dacht ik, leven we niet eens in een toestand van massale coïtus interruptus, want met al die afgelastingen komen we niet eens in de buurt van hoe het eens ging. Het is meer een massaal huisarrest. En zo zitten we op de bank de uren uit, verlangend naar een wereld die niet meer bestaat, gebukt onder verlangens die maar niet worden ingelost, hoe hard we ook dromen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.