Maki smeert geurstof op zijn staart om vrouwtjes te lokken

Biologie Ringstaartmaki’s gebruiken lokstoffen uit een klier bij hun polsen. Het gebruik van feromonen was bij primaten niet eerder aangetoond.

Maki met klieren op de polsen.
Maki met klieren op de polsen. Foto Chigusa Tanaka

Ringstaartmaki’s smeren lekker geurende stoffen op hun staarten om vrouwtjes te versieren. Japanse biologen identificeerden drie geurstoffen, afkomstig uit klieren bij de polsen van de makimannetjes, die toenamen tijdens het paarseizoen onder invloed van het hormoon testosteron en die een ‘fruitige, bloemige geur’ verspreidden. In Current Biology speculeren de onderzoekers dat ze hiermee de eerste ‘seksferomonen’ – chemische lokstoffen – bij primaten in kaart hebben gebracht.

Naar de werking van feromonen is al veel onderzoek gedaan, maar bij mensen en apen zijn die signaalstoffen tot nu toe nooit daadwerkelijk aangetoond. De drie chemische verbindingen die de Japanners nu hebben gedetecteerd lijken te voldoen aan de klassieke definitie van feromonen: stoffen die worden uitgescheiden door een individu en worden opgepikt door een soortgenoot, en voor een specifieke reactie zorgen – seksueel gedrag bijvoorbeeld.

Van mannelijke ringstaartmaki’s (Lemur catta) was al bekend dat ze andere mannetjes op afstand hielden door bepaalde geuren die ze uitscheidden uit speciale klieren bij hun polsen. Door hun staart langs die klier te wrijven en in de lucht rond te zwaaien, kunnen ze hun territorium verdedigen. Maar met die vrij letterlijke ‘geurvlag’ kunnen ze ook een potentiële partner lokken, schrijven de Japanse biologen.

Seksuele interesse

Bij het observeren van vrouwelijke ringstaartmaki’s in een dierentuin zagen de wetenschappers al dat de vrouwtjes tijdens het paarseizoen langer aan de geursporen van mannetjes roken dan daarbuiten. Met gaschromatografie en massaspectrometrie identificeerden ze drie specifieke aldehyden (koolstofverbindingen) die door mannetjes werden uitgescheiden tijdens het paarseizoen.

Vervolgens testten de biologen of die stoffen de seksuele interesse van vrouwelijke ringstaartmaki’s vergrootten. Dat deden ze door de vrouwelijke ringstaartmaki’s twee minuten lang de gelegenheid te geven aan watjes te ruiken waarop geurstoffen van hun mannelijke soortgenoten waren aangebracht. Ze roken significant langer aan de watjes met een mix van de drie aldehyden dan aan overige watjes. Bij watjes waarop maar één van de aldehyden was aangebracht, verloren ze snel hun interesse – het lijkt dus specifiek om de combinatie van de drie geurstoffen te gaan. Vervolgonderzoek moet uitwijzen of het seksuele gedrag van de vrouwtjes ook echt verandert door de geuren.