Van kinderen burgers maken is niet zo simpel

Leraren maatschappijleer Burgerschap is niet alleen iets voor de lessen maatschappijleer, vinden vakdocenten. Maar wat burgerschap is, daarover verschillen ook zij van mening. De onderwijsinspectie wil er meer aandacht voor en een nieuwe wet wacht op behandeling.

Docenten Karim Amghar (docent omgangskunde op mbo en hbo) en Stijn van Erp (docent IJburg College in Amsterdam).
Docenten Karim Amghar (docent omgangskunde op mbo en hbo) en Stijn van Erp (docent IJburg College in Amsterdam). Foto's Roger Cremers

Wat is burgerschapsonderwijs? Zet vier docenten maatschappijleer en een docent omgangskunde bij elkaar en je krijgt vijf verschillende antwoorden. De een wil vooral maatschappelijke spanningen in goede banen leiden, voor de ander draait burgerschap om het bijbrengen van kennis over de rechtsstaat.

De docenten ontmoetten elkaar vóór de coronacrisis. Dit voorjaar zou een nieuwe wet over burgerschap in de Tweede Kamer worden besproken. Dat ligt stil, maar de Inspectie van het Onderwijs vroeg vorige week opnieuw aandacht voor het onderwerp in het rapport de Staat van het Onderwijs. Scholen moeten meer aandacht aan burgerschap besteden, aldus de inspectie. Sommige scholen stimuleren de basiswaarden van de democratische rechtsstaat zelfs niet of nauwelijks.

De docenten die hierover discussiëren, delen een liefde voor het vak. Gideon Simon (46) „zat in de reclame”, maar vond dat na een tijdje „gebakken lucht”. Inmiddels geeft hij achttien jaar les aan het vmbo op (de voorgangers van) het Haarlem College in Haarlem.

Elcke de Geus (27), leraar maatschappijleer aan het Leonardo College in Leiden, deed na haar studie psychologie een jaar marktonderzoek. „Ik gebruikte m’n kennis bijvoorbeeld om ervoor te zorgen dat Campina meer vla verkocht.” Ook zij wilde liever „iets bijdragen aan de maatschappij” en volgde een masteropleiding tot docent maatschappijleer. Nu geeft ze les aan het Leonardo, een Topsport Talentschool.

Simon, De Geus en de andere drie docenten zijn het over één ding eens: burgerschap is breder dan het vak maatschappijleer. „Het wordt altijd op ons bordje gelegd, maar uiteindelijk is het zoals met taalonderwijs: dat moet ook bij alle vakken terugkomen”, zegt Mihai Popa (39), docent geschiedenis en maatschappijleer op de Open Schoolgemeenschap Bijlmer in Amsterdam-Zuidoost.

Docenten Mihai Popa (docent Open Schoolgemeenschap Bijlmer in Amsterdam-Zuidoost), Elcke de Geus (docent Leonardo College in Leiden), en Gideon Simon (docent Haarlem College in Haarlem). Foto's Roger Cremers

„En niet alleen bij andere vakken”, zegt Simon. „Burgerschap komt ook terug in de pauze. Je bent als school onderdeel van de samenleving.” Hij geeft les op een school waar de helft van de leerlingen een niet-westerse migratieachtergrond heeft. Spanningen tussen de voor- en tegenstanders van de Gülenbeweging in Turkije merk je meteen op school, zegt hij. „Tijdens een minuut stilte voor de slachtoffers van de aanslagen van Parijs weigerden sommige leerlingen bijvoorbeeld op te staan, omdat we ook niet stilstaan bij alle slachtoffers in Afghanistan. Zij zijn toen met docenten in gesprek gegaan.”

Juist dit soort maatschappelijke spanningen waren voor de politiek in 2006 de aanleiding om het burgerschapsonderwijs te herzien. Scholen moesten vanaf toen bijdragen aan „actief burgerschap” en „sociale integratie”. Maar die wet was te vrijblijvend, vonden leraren, burgerschapsonderzoekers én politici. Daarom maakte minister Arie Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs, ChristenUnie) een nieuwe wet. Die schrijft voor dat scholen „sociale cohesie moeten bevorderen” en hun burgerschapsdoelen in het schoolplan moeten vastleggen. Er komt ook een nieuw curriculum, waardoor, volgens de huidige plannen, zowel basis- als middelbare scholen een „oefenplaats voor de democratie” moeten worden.

Verdeeldheid in de klas

Het gesprek gaat over verdeeldheid in de klas over maatschappelijke onderwerpen. Hoe ga je daarmee om? „Het is de taak van de leraar ervoor te zorgen dat elke mening ertoe doet”, zegt Mihai Popa. „Er zijn ook leerlingen die iets niet durven te zeggen. Dat heeft met veiligheid te maken. Bij ons begint elke les in een kring, zodat leerlingen zich niet achter elkaar kunnen verschuilen.”

Gideon Simon heeft moeite met de term veiligheid: hij wantrouwt scholen die er reclame mee maken. Als die inhoudt dat leerlingen sociaal wenselijke antwoorden geven, is het eigenlijk schijnveiligheid, denkt hij. „Dan voelt niemand zich aangevallen. Maar wat heb je daaraan? Als een meisje na de vakantie niet meer terugkomt omdat ze is uitgehuwelijkt aan haar achterneef in Marokko, moet je dan het er dan niet over hebben en doen alsof dat normaal is?”

Dit is het onderwerp van Karim Amghar (31), die net komt binnenlopen. Hij heeft een boek geschreven over veiligheid op school, Van radicaal naar amicaal, en geeft les omgangskunde op het mbo en hbo. Hij traint docenten in de omgang met radicalisering, polarisatie en diversiteit. Hij zegt: „Alleen als mensen zich in een echt veilige omgeving bevinden, bijvoorbeeld hun vriendengroep, durven ze hele antisemitische of homofobe dingen te zeggen. Maar pas als ze dat ook daarbuiten durven doen, in de klas, kun je jongeren kritische denkvaardigheden leren.”

Lees ook: minister Slob wil strengere eisen burgerschapsonderwijs

Simon: „Die lijn volg ik helemaal. Wij hebben op school projecten over de Tweede Wereldoorlog en seksuele diversiteit. Het eerste wat ik daarbij doe, is bij het bord staan en zeggen: jongens, roep maar. Nou, alle vooroordelen komen voorbij. Vuile flikker, Joden zijn rijk. Maar dán kun je beginnen!”

Amghar: „Zo moet je het doen, maar dat kan alleen als je elkaar gevonden hebt op common ground. Als dat niet zo is, en ik word hier bijvoorbeeld nu door jullie beledigd met stereotypen over moslims, dan pak ik m’n spullen en ga ik ervandoor. Maar stel dat we eerst besproken hebben dat we allemaal iemand hebben verloren aan kanker. Als jullie dán zeggen: alle Marokkanen zijn dieven, dan heb ik toch een reden om te blijven, omdat ik iets met jullie deel.”

Maar, zegt Elcke de Geus: „Je kunt je ook afvragen: is het zo slecht als een leerling een sociaal wenselijk antwoord geeft? Niet altijd, want je kunt iemand ook heel erg beledigen of kwetsen met wat je zegt.”

„Het is natuurlijk niet de bedoeling dat iedereen alles zegt”, zegt Stijn van Erp (32), leraar maatschappijleer en maatschappijkunde op het IJburg College in Amsterdam – „het allerleukste vak” dat hij op de middelbare school had. „Het gaat erom dat je niet constant sociaal wenselijke antwoorden krijgt. Je wilt dat leerlingen, burgers, de situatie leren inschatten.”

Democratie en ongelijkheid

Mihai Popa breekt in. Burgerschap, zegt hij, gaat over veel meer dan deze „spannende onderwerpen. Het gaat ook over dat ze weten dat ze belasting moeten betalen en dat ze eens in de vier jaar een stem moeten uitbrengen om de democratie in leven te houden. In 80 procent van de gevallen is het saai hoor.”

Maar helaas voor Popa neemt het gesprek direct na deze opmerking alweer een andere wending. Want gaat burgerschap, zo oppert Karim Amghar, niet ook over het tegengaan van kansenongelijkheid? Amghar: „Sommige kinderen hebben geen ouders die voorlezen of een Kamerdebat met ze kijken.”

Gelach – een Kamerdebat met je kind kijken? De Geus: „Hoe gaat burgerschap daarbij helpen dan?”

Amghar: „Jij zat om zes of zeven uur aan tafel, dan at je met elkaar, daarna werd je een verhaaltje voorgelezen, Kikker of Jip en Janneke, om acht uur gingen jullie het Journaal kijken…”

Simon: „Dat is burgerschap.”

Amghar: „Heel veel kids in de grootstedelijke context met een lage sociaal-economische status hebben een laag zelfbeeld. Die denken al snel: ‘Ik heb een vier gehaald, dus ik ben dom, ik kan het niet.’ Kinderen in de midden- en hogere klasse denken heel anders, die hebben een Pippi Langkous-mentaliteit, vol zelfvertrouwen.”

Moet het in de klas gaan over staatsrecht of over lastige kwesties?

Simon: „Als je een negatief zelfbeeld doorbreekt, dan zit er veel in elk kind en dan heeft afkomst nul invloed. Daar hebben wij als docent en zeker in het vak of onderwerp burgerschap een rol in.”

Popa grijpt weer in. „Je hebt burgerschap en hoe je je als mens ontwikkelt”, zegt hij. „Burgerschap heeft te maken met dat je in een democratische rechtsstaat woont en dat je weet wat voor rechten en plichten dat met zich meebrengt. Die andere dingen, psychologie en weet ik veel wat, die moet iedere docent als uitgangspunt hebben.”

Amghar: „Elke keer als ik dit soort onderwerpen bespreek, denk ik: worden wij niet te vrij gelaten in ons burgerschapsonderwijs?”

Popa: „Dat is precies mijn punt. Wat is het doel van burgerschap? Zolang we dat niet helder hebben, kun je er ook niet gericht naar handelen. Ik denk dat het een te grote term is.”

Simon: „Het is een containerbegrip.”

Kiesdelers en leerlingenraad

Dan rijst de vraag: hoe maak je de taaiere materie zoals democratische begrippen, die er toch ook bij hoort, dan spannend als docent?

Simon: „Kiesdelers en de Eerste en Tweede Kamer kun je tastbaar maken door die te koppelen aan de verkiezing van de leerlingenraad.”

Amghar: „Ik maak gebruik van de werkvorm deep democracy. Een van de onderdelen is dat studenten over een zelfgekozen onderwerp in debat gaan. Mensen die het met jouw mening eens zijn gaan achter je staan, de rest aan de andere kant. Zo verdelen ze zich in de ruimte.”

Simon: „Heel leuk. Werkt dat ook voor vmbo-basis?”

Amghar: „Ja. Uiteindelijk blijven er twee grote partijen over en die moeten elkaar zien te vinden. Het mooie daaraan is dat je leert dat je pas klaar bent als de stem van de minderheid wordt meegenomen in een besluit. Zo voelen ze waarom democratie belangrijk is en hoe ze als burger kunnen bijdragen aan de maatschappij.”

Van Erp: „Die bijdrage vind ik moeilijk, want je hebt ook de vrijheid om níét bij te dragen. En soms is het ook goed om de samenleving te veranderen op een…”

„…radicale manier”, zegt Amghar.

Precies, zegt Van Erp. „Ik zou het fantastisch vinden als ik een leerling kan bijbrengen dat hij op een niet-conventionele manier dingen kan veranderen, zoals de boeren met hun trekkerprotest. Natuurlijk wil ik niet aanzetten tot haat of geweld, maar ik heb liever dat ze met veranderingen komen die nog niet in het systeem zitten, want de democratie werkt nu gewoon niet zoals die bedoeld is.”

Te beklemmend

„Wat ik tricky vind”, zegt Amghar dan, en hij wijst naar Van Erp: „Als mijn dochter bij jou in de klas komt, leert ze hoe ze in positieve zin tegen het systeem aan kan schoppen. Maar als mijn dochter bij jou in de klas komt…”, en hij wijst naar Popa, „dan leert ze bij wijze van spreke meer hoe ze in de pas kan lopen. Snappen jullie wat ik bedoel? Moeten we niet gewoon een vast kader hebben voor burgerschap?”

De Geus: „Iedere docent neemt zijn eigen oordelen mee. Dat ga je nooit helemaal weg kunnen filteren.”

Lees ook dit opiniestuk: Slob verwacht te veel van nieuwe lessen burgerschap

Zo komt het gesprek op de nieuwe wet. Popa en Van Erp vinden het goed dat scholen zelf kunnen kiezen hoe ze burgerschap willen invullen. Ze zijn wel bang dat het onderwerp ondanks de wet en het nieuwe curriculum toch weer zal wijken voor eindexamenvakken. Het beste zou zijn, vinden ze, om er doorlopend aandacht aan te geven, liefst in alle vakken. In één jaar begrippen uitleggen – dat is eigenlijk te gehaast.

„Je hoort ook wel van docenten dat ze die nieuwe wet veel te beklemmend vinden”, zegt De Geus. „Wie is de overheid om voor te schrijven dat wij sociale cohesie moeten bevorderen?”

Popa: „Alles kun je sociale cohesie noemen. Wij hebben nu ook een soort sociale cohesie.”

Amghar, lachend: „Terwijl het hier onwijs onveilig is!”

Moet burgerschap dan een examenvak worden? Dat hoeft ook weer niet, vinden ze. Daarvoor is er te veel verschil in opvatting over wat het behelst. Popa: „Dat blijkt maar weer uit dit gesprek.”