Reportage

‘Ik kijk tv en verder niets-niets-niets’

Hoe is in coronatijd het leven in de L-flat in Zeist? André Sodaar kijkt alle dagen voetbal. „Achttien keer dezelfde wedstrijd, dat je denkt: ‘heb ik gedrónken?’” Tekst
André Sodaar met shirt gesigneerd door spelers van FC Utrecht. In zijn hand foto’s van de nieuwjaarsreceptie van de club – hij poserend met spelers.
André Sodaar met shirt gesigneerd door spelers van FC Utrecht. In zijn hand foto’s van de nieuwjaarsreceptie van de club – hij poserend met spelers.

Lees de online versie van dit artikel op nrc.nl/flat

Het eerste gesprek met André Sodaar (59), flatbewoner met Utrechts accent, vond plaats enkele weken vóór de komst van corona naar Nederland. Het tweede erna.

Pre-corona:in zijn huiskamer. Het logo van FC Utrecht zit onder meer op kaarsen en tubes douchegel

„FC Utrecht is m’n alles zoals je ziet. Ik volg alle spelers die ooit bij FC Utrecht hebben gespeeld. In de Engelse competitie… Duitsland… Ik heb zo’n kassie met alle voetbalzenders. Elke dag is er wel voetbal. En op zondag speelt FC Utrecht meestal zelf. Er komt dagelijks iemand voor mijn suiker, voor de wond onder mijn voet, maar op zondag tussen half één en half vijf hoeven ze niet te komen want ik doe de deur op slot en trek de telefoon eruit.

Die Utrecht-sjaal over de stoel, die heeft mijn moeder gebreid. Nee, m’n moeder is al tien jaar dood. Mijn vader acht jaar. Hij was enigst kind en ik ben enigst kind, dus dan ben je met familie gauw klaar. Ik heb nog één nichtje. Een áchter-áchter-áchternichie. Of twee keer áchter-. Kan ook. In Beesd woont ze. Met een d. Bees-D. Bij Culemborg daar ergens. Maar ik zie d’r nooit. We bellen af en toe. Moet ik wel eerst uitleggen wie ik ben, dan gaat het wel weer.

Tot vijftien jaar geleden woonde ik in Utrecht. In Zuilen. Er stond een grote advertentie in de krant. ‘Woningen te huur in de L-flat.’ Ik was alleen, mijn eerste vrouw en ik waren uit elkaar. Mijn tweede vrouw ontmoette ik in Hoog Catharijne. Ik reed haar omver met mijn winkelwagentje. Echt rádicaal omver reed ik ’r. ‘God moet je wat drinken’ , zei ik. ‘Da’s het minste wat je kan doen’, zei ze, languit op de grond. Dat is vijftien jaar aangebleven.

Ze is een jaar of acht geleden overleden. Darm-kk. Voor het gat in mijn voet moet ik elke week naar het ziekenhuis waar ze is gestorven. Ik vermijd sommige gangen, want ik weet dat daar haar laatste meters waren.

Ja, ik ben hier blijven wonen dus. Ik heb het hier wel goed. Behalve de geluidsoverlast. Hoor je het? Het is nu heel zaggies. Een fluitgeluid. Meestal is het harder. Zo’n islamitische fluit – ‘huu-huu-huu-huu’. Alsof die slang omhooggaat en weer naar beneden in z’n mand, zulke muziek. Twee à drie uur per dag hoor je het. Neuh… er wat van zeggen heeft geen zin. Dan moet je een tolk meenemen. Neuh…

Ik kom bijna elke dag in het inloophuis in portiek zeven. Ik woon er zowat recht boven. Gewoon, praten met bewoners. Op woensdagavond eten we samen. En elke maand is er een lunch. Laatst kon ik niet want ik wachtte op een telefoontje van de monteur. ‘Dan neem je je mobiel toch méé?’ zei Ina van het inloophuis. ‘Oh ja’, dacht ik. Ik heb die mobiel pas. Mijn eerste ja. Nee, internet heb ik niet. Alsjeblieft niet. Neuh… daar begin ik niet aan.”

In coronatijd:André Sodaar zittend op zijn rollator op de galerij voor zijn voordeur

„Ik kijk tv-tv-tv en verder niets-niets-niets. Achttien keer dezelfde voetbalwedstrijd, dat je denkt: ‘heb ik nu gedronken?’ En geen Europees voetbal voor FC Utrecht, als het aan de KNVB ligt. Nou, dat kan écht niet. We gaan in hoger beroep, met goede advocaten.

Van de overlast van de buren ben ik stapelmesjogge. Er rennen nu ook steeds kinderen rond. Ze springen van de bank.

Het inloophuis is dicht, ja. Dat is wel rot. Ze maken wel avondeten op woensdag, dat kom ik halen. Drink ik meteen een bakkie koffie. En we maakten laatst een wandeling. Richting portiek één, bij de snackbar daar. Al m’n onderdelen gingen tekeer – m’n longen, m’n nieren. Op een muurtje heb ik een kwartier zitten uitrusten. Ik had anderhalf jaar niet bewogen. Omdat ik in een rolstoel zat, met die voet.

Met de wond gaat het goed. Gelukkig wel, ja. In het ziekenhuis hoefde ik sinds kort al niet meer te komen. De verpleegkundige komt nog wel elke dag, voor nieuw verband om mijn voet. Ja, ze komt dichtbij, ik kan dat been moeilijk uitschuiven hè. Je moet het niet te letterlijk nemen met dat geouwehoer van die afstand. Er is een tijd van komen en een tijd van gaan. Als ik het krijg was het tijd om te gaan.

Nee, met mijn achternichtje heb ik niet meer gebeld. Ik heb het telefoonnummer niet meer. Ik weet niet hoe ik eraan moet komen. Hoe lang ik haar niet heb gesproken, daar vraag je me wat. Een jaar of twee denk ik.”

Lees eerdere afleveringen op nrc.nl/deflat-corona. Reacties: deflat@nrc.nl