Opinie

Het coronabeleid heeft dringend meer legitimiteit nodig

Noodwet

Commentaar

Hoe lang 'pikken’ we het nog? Zo boud wordt het nu nog alleen in uithoeken van de publieke opinie gesteld, maar de onrust neemt toe. En dat is ook niet gek. Zelden zijn er buiten oorlogstijd in zo’n korte tijd zo veel vrijheden van burgers beperkt. Dat gaat goed, totdat de maat vol is. Het kabinet deed vorige week een expliciet beroep op ‘zelfbeheersing’ om ‘vol te houden’. Kennelijk voelt men aan dat het draagvlak voor de maatregelen onder druk staat. De politie rapporteert al meer drukte op straat, het aantal bekeuringen neemt toe. Groepjes van meer dan twee studenten die op hun balkon worden bekeurd, krijgen snel sympathie.

Het is dan ook meer dan welkom nieuws dat het kabinet aan een volwassen wetsvoorstel voor de noodmaatregelen werkt. Hiermee wordt terecht de conclusie getrokken dat het ‘Model noodverordening’ en de ‘Handreiking handhavingsstrategie noodverordening’ die minister Ferd Grapperhaus (Justitie, CDA) op 15 maart met de 25 veiligheidsregio’s afsprak niet volstaan. Er worden in de praktijk wel degelijk grondrechten ingeperkt, hoezeer Grapperhaus destijds ook meende van niet.

Zo blijken burgemeesters demonstraties niet meer toe te staan en komen politie en boa’s wel degelijk in woningen controleren of er ongewenste groepsvorming plaatsvindt. Ook bij het verbieden van bezoek aan gezonde bejaarden in verpleeghuizen (maar niet daarbuiten) en het beperken van religieuze bijeenkomsten tot dertig mensen zijn vraagtekens te zetten over proportionaliteit en legitimiteit.

Op zich paste een aanpak via de burgemeesters bij een cultuur die wortelt in de autonome gewesten, die geleidelijk de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vormden. Het behoedde ‘Den Haag’ bovendien voor het spectaculair moeten uitroepen van de noodtoestand. Dat past meer bij zuidelijker Europese landen, met een traditie van centraal bestuur. Ook voor rantsoenering bleek het kabinet terug te schrikken.

Een lokale bestuurlijke aanpak past ook beter bij het beroep op eigen verantwoordelijkheid van de burger. Het garandeert kennis van lokale verschillen en zorgt voor maatwerk in de handhaving. Ook democratische verantwoording is dan plaatselijk geborgd. Inmiddels blijkt dat van die democratische verantwoording via de gemeenteraden weinig terechtkomt. Gemeenteraden van kleinere plaatsen staan in een veiligheidsregio per definitie buitenspel – en in grotere steden schuiven burgemeesters de debatten voor zich uit. Interim-burgemeester Remkes van Den Haag liet zijn raadsleden weten zich pas te willen verantwoorden „als de crisis voorbij is”.

Dat volstaat dus niet, nu duidelijk is dat ‘de coronatijden’ nog wel even zullen duren. Democratische legitimiteit wordt nu belangrijker en daarmee dient de rol van de Staten-Generaal te groeien. Enigszins gechargeerd: het is tijd dat het parlement over meer gaat praten dan alleen over de vraag of er voldoende mondkapjes zijn besteld en sommige terrassen niet toch open moeten kunnen.

Lees ook: Parlement maak een einde aan deze uitzonderingstoestand

De belangrijkste vraag is of de ingrijpende beperkingen van de vrijheid nog steeds gewettigd zijn en zo ja, voor hoe lang. Twee maanden, vier, zes? Dit gaat over de vrijheid om zich te verplaatsen, te demonstreren, aan onderwijs of religieuze bijeenkomsten deel te nemen, zich met meer dan twee mensen op straat te mogen begeven, om bejaarden op te mogen zoeken.

De vrijheid om te werken, om te zijn, om te leven is in het spel. Daar hoort een wet bij, een politieke afweging en dus een democratisch debat.