Profiel

Enthousiast kinderfilmpionier wachtte lang op erkenning

Henk van der Linden De films van Henk van der Linden legden een vruchtbare bodem onder de hoogstaande productie van Nederlandse kinder- en jeugdfilms. Op 3 mei wordt hij 95. Hij groeide letterlijk op in de filmwereld: „Vermoedelijk is het eerste geluid dat ik gehoord heb dat van een ratelende filmprojector.”

Henk van der Linden aan het werk op de set van ‘De man met het zwarte masker’ (1968).
Henk van der Linden aan het werk op de set van ‘De man met het zwarte masker’ (1968).

Elke zomervakantie was het raak. Dan maakte Henk van der Linden (1925) een nieuwe jeugdfilm. Tussen 1953 en 1984 produceerde hij er zo’n veertig, soms wel twee per jaar. Er is geen Nederlandse regisseur met zoveel films op zijn naam – naast jeugdfilms produceerde hij ook nog opdrachtfilms en korte documentaires.

Van der Linden maakte zijn films in Zuid-Limburg, waar hij zowel een eigen studio tot zijn beschikking had als fraaie locaties zoals de Brunssummerheide. Hij draaide zijn films in de zomer omdat dan het weer vaak goed was en kinderen hun vakantie maar al te graag opofferden om mee te mogen spelen in een heuse speelfilm.

Van der Lindens producties zijn ook letterlijk familiefilms. Zelf schreef hij scripts, bediende de camera, deed regie en montage. Ook bestierde hij zijn eigen productiebedrijf, Rex Film. Zoon Cor en dochter Jos deden mee in veel van zijn films, vrouw Mary deed make-up en casting en vader Cor was manusje-van-alles, verantwoordelijk voor decorbouw en onmisbaar bij de nasynchronisatie. Ook vrienden en kennissen deden enthousiast mee als Van der Linden een beroep op hen deed.

Op 3 mei wordt Van der Linden 95, wat op 7 mei in het Utrechtse Louis Hartlooper Complex feestelijk gevierd zou worden met een boekpresentatie en de vertoning van De avonturen van Pietje Bell (1964) in het bijzijn van hoofdrolspeler Jeu Consten en andere oud-medewerkers. Die bijeenkomst gaat door de coronacrisis niet door, wel liggen zijn memoires nu in de boekwinkel: Tussen de filmrollen. In ruim 300 pagina’s neemt Van der Linden de lezer mee door zijn leven, waarbij hij vooral de technische kant van het beroep benadrukt: opnames, montage, nasynchronisatie. Veel anekdotes passeren de revue, stunts met paarden en honden, stunts die mislukken en stunts die bijna fataal aflopen. Hij groeide op in de bioscoop, zijn vader had er een in Hoensbroek, en kwam ter wereld in de slaapkamer tegenover de projectiecabine: „Dus vermoedelijk is het eerste geluid dat ik gehoord heb dat van een ratelende filmprojector.” Het is het begin van een levenslange passie voor film.

Van der Linden produceerde zijn jeugdfilms zonder subsidie, hij wilde geen bemoeienis, en zijn met een bescheiden budget gemaakte pionierswerk legde een vruchtbare bodem onder de continue en kwalitatief hoogstaande productie van kinder- en jeugdfilms in Nederland. Met de (meerdere) verfilmingen van Dik Trom, Pietje Bell, Sjors & Sjimmie en Billie Turf liet hij zien dat jeugdboeken en strips dankbaar materiaal zijn voor films. Een traditie die inmiddels niet meer weg is te denken in de Nederlandse jeugdfilmcultuur.

In het boek, met mooie fotokaternen, zitten ook twee dvd’s met vier van zijn door Eye Filmmuseum gerestaureerde films, waaronder de Pietje Bell-verfilming. Of die de tand des tijds hebben doorstaan hangt vermoedelijk af van eerdere ervaringen met de films van Van der Linden. Mensen die zijn films in hun jeugd zagen, reageren er vaak nostalgisch op: het brengt ze terug naar hun jeugdjaren en genoeglijke uurtjes in de buurtbioscoop. De Facebookgroep ‘Henk van der Linden is een bijzondere filmmaker, en dat is hij!’ telt zo’n 800 enthousiaste leden die trivia en wetenswaardigheden delen over zijn films.

Amateuristisch

In zijn memoires haalt Van der Linden meermalen critici aan die zijn werk amateuristisch vinden en stelt daar dan positieve recensies tegenover die het acteerwerk wél prijzen.

Terugkijkend op films die soms 60 jaar oud zijn vraagt om context. Toen hij vol enthousiasme zijn films maakte was er bijna geen Nederlandse filmproductie, en kinderfilms waren er sowieso niet. Van der Linden voorzag in een behoefte, en het is dan ook niet gek dat miljoenen kinderen er veel plezier aan beleefden. Ondanks een niet-perfecte nasynchronisatie en soms te luide geluidseffecten (hard hoefgetrappel, steeds dezelfde vogelgeluiden) is goed te zien dat Van der Linden talent voor het medium had.

De films komen wat traag op gang, maar de stunts en achtervolgingen – altijd een beetje versneld – zien er vrij overtuigend uit. De boeven zijn licht karikaturaal, maar dat is in jeugdfilms bijna niet te vermijden. Vier rakkers en een oude jeep uit 1958 is van de vier films die op dvd zijn bijgevoegd de beste. Dat vond hij zelf ook: „Kortom, het was één van mijn favoriete films en hij is tientallen jaren achtereen in de bioscopen vertoond.”

De uitgever waarschuwt: „In de films komen mogelijk een aantal etnische en raciale vooroordelen voor die ooit gewoon waren in de Nederlandse samenleving.” Helemaal waar, en ze dateren zijn films meer dan het soms wat onbeholpen acteren of de op elkaar lijkende achtervolgingen. Zo speelt dochter Jos zwart geschminkt de rol van Sjimmie in Sjors en Sjimmie en de gorilla (1965) en zijn de stereotypen over zigeuners in De avonturen van een zigeunerjongen (1960) vandaag de dag tenenkrommend.

In Tussen de filmrollen is Van der Linden soms wat verongelijkt over het gebrek aan erkenning. Keer op keer benadrukt hij hoeveel publiek zijn films trokken: „Ook deze film werd weer een daverend succes.” Hij schuwt zelfs kapitalen niet: „[…] RECORDS die nooit meer geëvenaard zijn.” Gezien zijn vele fans, een retrospectief in 2003 op jeugdfilmfestival Cinekid en de uitgave van zijn memoires lijkt die erkenning er de laatste jaren toch te zijn. Henk van der Linden is nog lang niet vergeten.