Brieven

Coronamaatregelen (1)

De buren kijken mee

Foto EPA

Laatst had ik een oude liberale vriend en zijn vrouw op bezoek, heimelijk, want we waren bang dat niet alleen de kinderen maar ook het dorp zich tegen ons zou keren. Wij hebben onze individuele vrijheid vrijwel volledig opgegeven, niet – zoals in Frankrijk – omdat de militaire politie over straat marcheert en je papieren controleert, maar vrijwillig. Albert Camus schrijft: „Zo streden de gevangenen van de pest naar beste kunnen tegen de ziekte (...). En we hebben gezien dat enkelen van hen, zoals Rambert, er zelfs in slaagden zich in te beelden dat ze nog als vrije mensen handelden, dat ze nog keuzes hadden. Maar in feite kan je op dat moment, half augustus, zeggen dat de pest alles in zijn greep had. In plaats van het lot van het individu was er een collectief beleven van de pest ontstaan, met gemeenschappelijke gevoelens.” Vervang de pest door corona, augustus door april, en je hebt een perfecte beschrijving van wat er nu gebeurt. Vijftig jaar geleden zou ik dat prachtig gevonden hebben. Ik meende toen dat alleen in collectief handelen ware vrijheid te vinden was. Wij communisten vonden destijds dat mensen desnoods gedwongen moesten worden om vrij te zijn. Nu is de opvatting: mensen moeten desnoods gedwongen worden gezond te zijn. Een babyboomer die door zijn kinderen in volledige quarantaine geplaatst is, uitte zijn zorgen over de corona-contact-app: „Big Brother is watching you”, zei hij door de telefoon. „Ik ben eigenlijk niet zo bang voor de overheid”, antwoordde ik. Grote Broer vind ik minder angstaanjagend dan de curatele van je familie, vrienden en buren. Mijn schoonmoeder zaliger hield het feit dat ze kanker had angstvallig geheim, zelfs voor familieleden. „Want”, zei ze, „ze begraven je voordat je dood bent.”