Opinie

Zijn Air France en KLM ‘ons’ geld wel waard?

Menno Tamminga

Is hoogmoed een voorwaarde om de top te bereiken van een luchtvaartmaatschappij? Jaren vóórdat banken verwikkeld raakten in salarisrellen (ABN Amro, ING) schopte KLM al bonusbonje. Bij de overname door Air France in 2004 introduceerde de nieuwe combinatie een zogeheten synergiebonus. De directie kon extra geld verdienen als de vervlechting tot extra inkomsten zou leiden. Dat viel niet goed. De toenmalig minister van Financiën, Gerrit Zalm (VVD), moest eraan te pas komen om dat voorstel te torpederen.

Deze keer was het Zalms verre opvolger Wopke Hoekstra (CDA) die een ‘reddingsboeibonus’ afwees voor directievoorzitter Ben Smith van Air France-KLM. Smith zag daar afgelopen donderdag dan ook vanaf. Minuten eerder had KLM-president Pieter Elbers een salarisverlaging aangekondigd.

De verhoudingen zijn op dit moment simpel. Wopkes wil is wet. Als minister is hij aandeelhouder van Air France-KLM én van KLM, en ook nog eens de redder in nood van KLM met 2 à 4 miljard euro aan leningen en kredietgaranties.

Lees ook dit achtergrondverhaal: Hoe kan de overheid de economie het beste steunen in deze crisis?

Toch nog even over die bonus voor Smith. Hij zou die kunnen verdienen met onder meer hamsteren. Geld hamsteren. Met kostenreducties, schrappen van investeringen en aantrekken van financiering en steun. Deze en andere criteria vervingen de bestaande doelstellingen, die vanwege de ernst van de crisis niet meer voldeden.

Anders gezegd: de doelpalen werden verschoven tijdens de wedstrijd. Dat is spelbederf. De scheidsrechter moet affluiten. Dat zag deze arbiter, de raad van commissarissen van Air France-KLM, radicaal anders. Hoe ging dat?

Op 19 februari, toen het Covid-19-virus ver weg leek, besloten de commissarissen nog de bestaande bonuscriteria voor Smith te handhaven. Toen volgde de pandemie. Op 13 maart stonden Elbers en Schiphol-topman Dick Benschop op de stoep bij het steunloket van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Op 19 maart besloten de commissarissen van Air France-KLM tot de nieuwe criteria voor de bonus van Smith. In een vergadering van 3 april was het rond. Die dag meldde persbureau Reuters dat Air France en KLM met Frankrijk en Nederland praatten over staatssteun.

Zo smeedde men de keten staatssteun-overleven-bonus. Als de commissarissen die staatssteun niet bij de bonuscriteria hadden willen betrekken, hadden ze dat in hun verslag moeten opschrijven. Dat deden ze niet. Misschien was het een haastklus. Misschien dachten zij Smith op deze manier te steunen. Misschien hadden Fokke & Sukke wel gelijk, die later opperden dat hij anders zou zijn vertrokken…

Wat zo storend is aan deze gang van zaken, is het idee dat een topman een bonus moet kunnen verdienen door zijn primaire taak uit te oefenen. Die taak is: de continuïteit verzekeren van het bedrijf. Zodat de dienstverlening zoveel mogelijk in stand blijft en daarmee de banen van tienduizenden werknemers en de maatschappelijke functie van het bedrijf. Sinds wanneer moet dat werk apart beloond worden? Het bedrijf door een crisis loodsen ís zijn werk.

Daarom roept de gang van zaken ongemakkelijke vragen op. De commissarissen agendeerden de reparatie van die bonus toen de vlammen al bijna uit het dak sloegen. Wat een ongewone taakopvatting. Eerst die bonus en dan blussen? In plaats van eerst blussen en dan die bonus? Da’s iets voor later, áls er nog iets te verdelen is. Wat is de kwaliteit van de besluitvorming in de top van dat bedrijf dat met mogelijk 11 miljard euro Franse en Nederlandse steun overeind wordt gehouden?

Als de besluitvorming en taakopvatting nogal te wensen overlaten, is de vervolgvraag: zijn zij ‘ons’ geld wel waard?

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.