Opinie

Niet alleen waarover, wat en wie, maar vooral hoe

Maxim Februari

Af en toe raak ik verstrikt in stijlregisters en taalniveaus. Vandaag bijvoorbeeld. Om te weten wat ik wil zeggen, moet ik eerst weten wie ik ook alweer ben en welk woordgebruik bij mij past. De kans is groot dat u me alleen wilt lezen als u me serieus kunt nemen, en u kunt me alleen serieus nemen als ik een beetje normaal doe. Dus. Wat is normaal?

Voor het gemak onderscheid ik drie taalniveaus in het openbare debat. Het dichterlijke, het professionele en het artificiële. Die hebben betrekking op drie manieren van in-de-wereld-zijn en er passen volgens mij drie mensentypes bij. Dit is natuurlijk onzin, maar het is een schema waarmee ik misschien uit een impasse raak. Zodat u lering kunt trekken uit mijn gespartel.

Ik lees op dit moment een essay over de dichter Fernando Pessoa, en dan vooral over zijn alter ego Alberto Caeiro, die over rivieren en bloemen schrijft en zich verzet tegen de gangbare neiging daaraan betekenis te verlenen. Volgens Caeiro zitten we de directe ervaring van het leven in de weg met onze behoefte alle gebeurtenissen in een groot verband te plaatsen. Zelf wil hij niets weten of begrijpen. „Ik heb geen filosofie, ik heb zintuigen.”

Fernando Pessoa was niet volop gecharmeerd van Alberto Caeiro en diens naïeve, pastorale levenshouding, maar ik voel er van oudsher sympathie voor. Ik deel de overtuiging dat het leven lijdt onder de manieren waarop we het begrijpelijk willen maken. Dit jaar, het jaar van de wet markets, is er reden genoeg om de natuurlijkheid van je eigen lichaam voorop te stellen; om het te laten leven of sterven, ademhalen, wassen, afstand houden.

In het openbare, intellectuele debat wijst deze levende stem erop „dat de dingen werkelijk zijn wat ze lijken te zijn”. De ecologische crises van de laatste tijd leren ons dat we écht toe moeten met deze natuur en deze ene planeet, zegt dichter en componist Micha Hamel in de Volkskrant. „Dit is dus de aarde! We ontdekken als het ware onze eigen leefomgeving voor het eerst.” Kunst heeft het voordeel van de integrale benadering en de onmiddellijke, fysieke ervaring; ze laat zien „hoe ongelofelijk geweldig live is”.

Omdat dit geluid over het leven zelf gaat, en het leven zelf ís, hebben professionals de neiging het als een hobby te zien. Het tweede taalregister, dat van de bestuurders, de deskundigen en de professionals, is geabstraheerd van de wereld en toegesneden op werk. De behoefte gebeurtenissen in een groter verband te plaatsen brengt een jargon met zich mee dat past bij specialisatie. Denk aan de snelle opkomst van ‘coronomics’ als een serieuze tak van de economie.

De stijl en het vocabulaire zijn gewichtiger. De sprekers eisen meer ruimte op en ze hebben meer titels en banen achter hun naam. Het volgende lees ik in een artikel waarin toekomstvisies zijn verzameld van experts: „‘Ik kan me voorstellen dat de pandemie de ontwikkeling versnelt van de infrastructuur die nodig is om ons online werk te ondersteunen’, zegt Susan Schneider, directeur van de ‘AI, Mind and Society Group’  aan de universiteit van Connecticut en bekleder van de NASA-Baruch S. Blumberg/Library of Congress leerstoel.”

De schrijver van het stuk, wetenschapsjournalist van Deutsche Welle, is slim genoeg om zoiets zelf te verzinnen. Maar zo werkt het niet in dit register. Je moet het experts laten zeggen. De baanbrekende cryptograaf David Chaum vult het punt van Susan Schneider daarom aan. „Angst voor infectie beperkt de live interacties en dwingt ons dieper tot een ‘steeds killer wordend gebruik van online systemen’ en volledig elektronische communicatie.” Het is het „metaprobleem van onze tijd”.

Het derde taalregister is nog abstracter en is dat van het metaprobleem zelf. Het is de taal, of code, van een andere intelligentie, die ons bestuurt en die de gebeurtenissen van ons dagelijks leven in nog verder weg liggende verbanden plaatst. Voor het openbaar debat is dit taalregister te abstract. Het levende geluid te concreet, het kunstmatig intelligente geluid te abstract: de bandbreedte van maatschappelijke gesprekken is smal.

Nu overal de toekomst wordt besproken lijkt mij niet alleen relevant waarover je praat, wat je zegt, wie je een stem geeft en wie niet, maar ook welk stijlregister je kiest. Over maatschappelijke kwesties wordt steevast besloten in de normale stijl van de mediumabstractie.

Zing dus niet over de directe ervaring van het leven. Wroet niet in de gedachtenwereld van niet-menselijke systemen. Zeg hooguit „de toekomst is non-lineair”, zoals Isabella Hermann van de Berlijns-Brandenburgse Academie van Wetenschappen, waar ze de socio-culturele-tech impact van science fiction bestudeert.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.