Opinie

Ik ben hier en ik wil nog niet voorbij zijn

Marjoleine de Vos

Wonderlijke gesprekken voer je dezer dagen. En wonderlijke gedachten heeft men ook, andere gedachten dan anders, vooral sinds de nog betrekkelijk jonge gepensioneerde anesthesist Paul Lievense in NRC heeft laten weten dat hij niet wil „dat ik op mijn 66ste nog een beslag doe op de beperkte capaciteit”. Omdat mensen die op de IC komen met Covid-19 meestal toch overlijden, omdat je niet weet hoe je uit zo’n zware behandeling komt, maar vooral: „jonge, gezonde mensen, met een langer leven vóór zich, moeten die plekken krijgen, niet ik”.

Ik denk dat veel mensen wel van die gesprekken hebben, over wat je zou doen als je moest beslissen over behandelingen. Je praat erover aan tafel, neemt nog een hapje, glaasje wijn erbij – o, wat kun je je dan verbeelden dat je helemaal niet zo hecht aan het leven. Nee hoor, ik niet. Het zou mij – ik zou niet willen – beter gewoon…

Een goede vriendin vertelde onlangs dat haar man, 75, tegen haar had gezegd: „Mocht ik besmet raken en aan de beademing moeten, dan wil ik dat niet. Hoe denk jij daarover?”

Oef. Ineens is het dan niet ver en theoretisch maar nu. Onze vriend, zelf arts, meent net als Lievense dat een behandeling op de intensive care zo zwaar en zo beschadigend is dat hij daar niet voor wil opteren. Misschien dacht hij ook nog wel aan jongere mensen, dat weet ik eigenlijk niet.

Laatst zei een ethica in een interview dat áls er keuzes gemaakt moeten worden jongere mensen voor zouden moeten gaan. Tuurlijk. Wanneer is men jonger? Ik ben zeker niet jonger. 63. En ik vind ook wel dat ik al heel wat geleefd heb en niks te klagen en als het moet dan moet het en weet ik wat voor flinke dingen meer, maar nu zat ik in de kamer om me heen te kijken en ik dacht: ik zit hier erg graag.

We wonen hier nog niet eens een jaar. We gaan mij hier toch niet nu al uit weghalen? En elke ochtend als ik buiten loop, en de vogels – zo blijde – zingen en het wordt voorjaar en alles popelt van levenslust, dan voel ik heel goed dat ik graag leef. Ik kook en ik neurie en lees en ik ben hier en ik wil helemaal niet voorbij zijn.

Dus dat: ‘laat mij maar gaan als het zover is’, hoe mooi het ook zou zijn misschien, altruïstisch, dat komt bij mij nu niet echt over de lippen. En ook wil ik dat eigenlijk van sommige zeer naasten liever niet horen. Van één (71) wel heel in het bijzonder niet. Vroeg het die ene, hoe hij daar eigenlijk over dacht. Die leefde ook nog wel graag.

Zijn wij dan een stelletje egoïsten? Moet je zó over je eigen leven gaan denken? Dat gaat wel ver.

Intussen was ik maar Seneca’s tragedies gaan lezen, een beetje stoïcisme in roerige tijden kan geen kwaad. Een beetje geleerdheid ook niet, ze zijn zó adembenemend goed ingeleid door Piet Schrijvers dat de kennisdorst en de nieuwsgierigheid – en dus de levenslust – bij de lezer tot grote hoogte worden opgestookt.

De stukken zelf zijn woest en druipen van het bloed, met altijd een koor dat in de zijlijn humt dat het veel beter is om onopmerkelijk te leven en niet naar roem, eer en rijkdom te streven. Goed zo. Dat doe ik ook niet.

En dat men niet bang moet zijn om te sterven. „Niemand staat zozeer in de gunst van goden/ dat hij de dag van morgen zich kan beloven.”

Nee. Zo is het. Zucht.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.