Een collectieve les in geduld oefenen

Vanuit de Verenigde Staten schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: hoe het coronavirus ons opnieuw in een tussentijd van afwachten en verlangen dwingt.
Illustratie Eliane Gerrits

Toen we zo’n acht jaar geleden naar Amerika vertrokken, opperde ik om met de boot te gaan. Het leek me dat we die twee weken reizen wel nodig hadden om afscheid te nemen van het oude en ons voor te bereiden op het nieuwe. De ziel gaat te paard, tenslotte. Gelukkig wisten de kinderen me er op tijd aan te herinneren dat ik maar een boot hoef te zien om zeeziek te worden. En dus namen we in de ochtend het vliegtuig vanaf Schiphol, om nog voor het eind van de middag de sleutel in het slot van ons nieuwe huis te steken. Praktisch, zeker. En snel. Maar ook, weg tussentijd.

De tussentijd is een verschijnsel dat geleidelijk aan verdween uit ons aller leven. Het is voor millennials al niet meer voor te stellen dat je vroeger een week moest wachten voor je de afdrukken van je volgeschoten fotorolletje op kon halen bij de fotowinkel. Of dat het eerst voorjaar moest worden om de eerste aardbeien te proeven.

Dat wachten duurde eindeloos. In ieder geval langer naarmate je meer uitkeek naar het resultaat. Ik herinner me een met boterzegeltjes bijeengespaard kwartet van De Fabeltjeskrant. Wat wilde ik het graag hebben en wat duurden die twee weken wachten lang, het leken wel twintig jaar. Iedere dag rende ik vol verwachting uit school naar de brievenbus, maar geen pakje. Toen de postbode me eindelijk het kwartet overhandigde – ik had de hoop al lang opgegeven – waren ’t lelijke plaatjes.

Geduld hoeven we zelden nog te hebben. De meeste behoeften kunnen nu onmiddellijk bevredigd worden. De muisklikgeneratie weet niet beter dan dat iedere wens een bevel is aan de internetleverancier. Natuurlijk liggen die nieuwe voetbalschoenen morgen voor de deur, en mochten ze tegenvallen, dan stuur je ze gewoon terug. Wég het je verheugen, je verkneukelen, de angstige vermoedens, de voorstellingen die je je maakte voor het slapen gaan.

Maar het brutale coronavirus weet de gehele mensheid in een tussentijd te dwingen. Dit is een grote collectieve les in geduld. Tot we weer kunnen werken, naar de kapper mogen, onze grootouders opzoeken, naar het museum of een concert gaan. Zolang het virus ons in zijn greep weet te houden, kunnen we weinig anders doen dan afwachten. We proberen in te schatten wat ons te wachten staat.

Vaak denk ik aan de reizigers van weleer, op de boot naar New York. Dan zie ik ze bij zonsondergang over het water turen. Achter hen de oude wereld. De vertrouwde huizen met de tafels waaraan ze elke dag aanschoven en het brood deelden. Steeds verder weg achter de einder, maar de beelden des te helderder en het gemis schrijnender. Vóór hen, voorbij de mist, de nieuwe wereld. Ze probeerden zich de kade voor te stellen waar ze met hun koffers aan land zouden gaan. Een regenachtige dag misschien, met een flauw zonnetje. Frisgewassen straten. Wanneer het zo ver was, waren ze niet meer dezelfde mensen die afscheid namen van hun familie in Rotterdam.

Reacties naar pdejong@ias.edu