Opinie

Moeilijk afscheid

Frits Abrahams

Dit zijn voor velen de dagen van de ledigheid en de opruimwoede. Zie de bergen afval rond de afvalcontainers. Let daarbij ook op de grote hoeveelheden karton, vaak afkomstig van onlinebestellingen. De vuilnismannen ruimen het wel op. Zij mogen, naast het verplegend personeel, ook tot de slecht betaalde ‘helden’ van deze coronaperiode worden gerekend.

Zelf stuitte ik in een van mijn boekenkasten op vijf boeken, samen tientallen kilo’s zwaar, die voor liquidatie in aanmerking kwamen. Ik zou ze misschien nooit meer lezen of raadplegen, maar toch kostte het moeite om afscheid van ze te nemen. Ze waren van mijn ouders geweest, na hun dood had ik ze meegenomen. Om sentimentele redenen.

Maar sentiment slijt, net als verdriet, wat in het beste geval overblijft is de dierbare herinnering. Ik bladerde door de boeken, misschien bevatten ze nog gedenkwaardige sporen van hun lezers. Drie boeken waren van mijn moeder geweest; het betrof de befaamde trilogie van de Noorse schrijver Trygve Gulbranssen (1894 – 1962): En eeuwig zingen de Bosschen, Winden waaien om de Rotsen en De Weg tot elkander. De boeken kwamen in de jaren dertig uit en werden wereldwijd bestsellers (ruim 12 miljoen exemplaren). Niet alleen het grote publiek, maar ook de critici waren enthousiast, of op z’n minst welwillend, zoals Menno ter Braak.

Bijna een eeuw later is er weinig overgebleven van Gulbranssens literaire reputatie. Stilistisch zijn de boeken niet slecht, soms zelfs nog steeds raak. „De oude Dag zat voorovergebogen, liet zijn hoofd wat naar voren hangen en bewoog dat heen en weer, als zat hij te peinzen. – Wij helpen elkander zoo weinig, den korten tijd dat wij leven.”

Maar het verhaal – de geschiedenis van het geslacht Bjørndal op het Noorse platteland in de achttiende eeuw – is weinig uitnodigend. Het verbaasde mij met terugwerkende kracht dat mijn moeder, geen groot lezeres, die drie reusachtige pillen had kunnen wegslikken. Het waren ook zeer christelijke boeken terwijl zij slechts een afstandelijke katholiek was.

De andere boeken waren twee lijvige delen van de Medische W.P. Encyclopaedie, in 1955 uitgegeven door Elsevier onder auspiciën van de Winkler Prins Stichting. Mijn moeder was zeer geïnteresseerd in medische zaken, ze moet deze boeken vaak geraadpleegd hebben. Ik in mijn jeugd trouwens ook, want ze bevatten uitgebreide beschrijvingen en foto’s van mij onbekende, uiterst afstotelijke ziektes.

Achterin de boeken had mijn moeder losse medische folders bewaard, en in één deel zat een krantenknipsel uit de Volkskrant van 1991. Ik huiverde toen ik het knipsel openvouwde: het ging over dementie, de ziekte waaraan mijn moeder leed toen ze in 2001 stierf. „Optimisme over Alzheimer misplaatst”, luidde de kop boven het artikel van Gerbrand Feenstra.

Hij beschreef proeven met „het potentiële Alzheimer-geneesmiddel velnacrine”, die mogelijk een doorbraak zouden betekenen. „Maar het zal nog heel lang duren voordat patiënten erbij gebaat zijn. Vertraging van het proces dat tot dementie leidt, biedt voorlopig meer kans op succes.”

Heeft mijn moeder dit destijds zelf uitgeknipt en in de encyclopedie opgeborgen? In 1991 was ze al licht dementerend. Hoe onzeker, misschien wanhopig, moet ze zich toen wel niet gevoeld hebben?