Hinkelen is heden een slap aftreksel

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: het hinkelparcours was vroeger ingewikkelder. En de regels waren anders.

Waar ze al het stoepkrijt vandaan haalden, daar kom je niet achter, maar opeens ligt de stad vol hinkelbanen. Tientallen, honderden. Allemaal in dezelfde stoepkrijtkleuren, allemaal omgeven door bloemen, vlinders, slakken en andere figuren. Recht, krom, kort, lang. Een vrolijk gezicht.

Maar gehinkeld wordt er niet. Nergens. Misschien is het ook helemaal niet het hinkelseizoen. Was er wel een hinkelseizoen? Ook dat weet je niet. Elk spel heeft zijn eigen jaargetijde, schreef Constantijn Huygens nog in 1666 in zijn gedicht Zee-straet. De Kind’ren weten tijd van Knickeren en Koten, En, sonder Almanack, en is ’t haer noyt ontschoten.

Foto Karel Knip

Tegenwoordig is het eigenlijk nooit meer hinkelseizoen, zegt een deskundige die meeging op inspectie. De lol van het hinkelen zat in het tekenen van de hinkelbaan. Wat je daarna moest doen wist ik eigenlijk niet. De helft van de hinkelbanen die je nu ziet is volgens mij getekend door volwassenen.

Chronische kinderoverlast

Zo is het. De eerste de beste moeder die zich in de buurt van een hinkelbaan ophield bevestigde dat die door een vader was getekend. „Het is een rare hinkelbaan”, zei ze. „Maar je hoopt dat de kinderen er een tijdje mee bezig zijn.”

Het hinkelen heeft zijn tijd gehad. De opleving van de afgelopen weken hangt samen met het lockdowngebeuren en chronische kinderoverlast. ’t Was al een veeg teken dat er van overheidswege hinkelbanen in het trottoir werden aangebracht. En dat gemeentewerkers niet wisten hoe ze de baan moesten herstellen als ze de stoep hadden opgebroken.

Foto Karel Knip

De meeste hinkelbanen bestaan uit tien genummerde vierkanten op een rij. Op twee, soms drie plaatsen is één zo’n vierkant vervangen door twee vierkanten naast elkaar. Alleen daar mag je met beide voeten op de grond komen, anders niet.

Nooit op de lijnen

Hinkelen is een spel voor meisjes van zes tot twaalf jaar, het competitieve element van vroeger is losgelaten. Tegenwoordig gooi je een steentje of stokje op één van de vakken, op de heenweg hinkel je er overheen, op de terugweg raap je het weer op, dat is het moeilijkste. Nooit mag je op de lijnen hinkelen, dan ben je af.

Er wordt, of werd, over de hele wereld gehinkeld. Het heet ‘hopscotch’ in het Engels, ‘marelle’ in het Frans en ‘Hickelkasten’ (of ‘Himmel und Hölle’) in het Duits. In Suriname zeggen ze djompofoetoe of schopsteentje, in India stapoo of stapu. Alleen al hieruit durf je af te leiden dat het hinkelen oeroud is en dat ook ‘reeds-de-Romeinen’ aan hinkelen deden. Dat laatste wordt inderdaad beweerd: op het plaveisel van het Forum Romanum zou een hinkelparcours zijn aangetroffen. Bewijzen krijg je niet te zien.

Tweehonderd spelletjes

In Nederland is vele eeuwen gehinkeld, dat staat vast, hoewel het hinkelen uitgerekend ontbreekt op Pieter Bruegels schilderij van de kinderspelen (1560). Maar onder de tweehonderd kinderspelen die François Rabelais rond 1532 opsomt in Gargantua (boek 1, hoofdstuk 22) komt ‘marelles’ voor en Nicolaas Wieringa vertaalde dat in 1682 zonder aarzelen met ‘hinkelen’. Er wordt wel verondersteld (bijvoorbeeld door de Britse kunsthistorica Amy Orrock) dat Bruegel zich destijds heeft laten inspireren door Rabelais. Maar hij kon natuurlijk niet tweehonderd spelletjes op zijn doek kwijt.

Foto Karel Knip

De vroegste illustratie van het Nederlandse hinkelen die deze week boven water kwam stond in het boekje Des menschen begin, midden en einde van de etser en dichter Jan Luyken. Het is uitgegeven in 1712. Met de zoektermen hinkelbaan, hinkelperk, hinkspel en hinkelen vind je bij Google Books nog veel meer oude plaatjes. Het Aangenaam Prenteboekje voor Kinderen uit 1818 (Leyden, P.H.Trap) geeft er ook een beschrijving bij (die trouwens niet spoort met de illustratie, kennelijk was tekst gemaakt bij een partij bestaande clichés). In zijn Algemeen Woordenboek van het Praktische Leven (Gouda, 1866) komt R.P. Rijnhart met een bijna wiskundige verhandeling over de ‘hinkebaan’ en het hinkspel. En zo is er nog veel meer.

Een typisch meisjesspel

Duidelijk wordt dat het hinkelen vroeger uitsluitend beoefend werd door jongens en jonge mannen (zoals nu nog in Afrika) en dat het pas in de twintigste eeuw een typisch meisjesspel werd (misschien omdat de jongens gingen voetballen). Het parcours was vaak ingewikkelder dan tegenwoordig en ook de regels waren anders. Zo moest het steentje of stokje van hierboven vaak al hinkelend van vak naar vak worden geschopt (of juist helemaal buiten de baan worden gestoten) en waren er vakken (zoals ‘aarde’, ‘hel’ en ‘hemel’) met een speciale betekenis. Het hedendaagse hinkelen is, kortom, een slap aftreksel van het historische hinkelen.

Wat we ons van het hinkelen in Gargantua moeten voorstellen viel niet te achterhalen, zoals eigenlijk de meeste van de opgesomde spelletjes, het zijn er 215, een raadsel blijven. Vreemd genoeg geldt dat ook voor de intrigerende, geordende vertaling uit 1682. Kikkermik, d’hond na ’t haasje, ’t vosje villen, negen kuyl, val, vijgje, val: geen idee wat het was. Pimpampet is een verrassing, het blijkt waarachtig ook door Bruegel te zijn opgenomen, net als het knikkeren, hoepelen en tollen. Ook het doodgewone touwtjespringen staat op de lijst van Rabelais maar niet op het doek van Bruegel. Wat mis je nog meer bij Bruegel, dat kun je je ook afvragen. Wippen, vliegeren, kaatseballen, zijn er een paar. Slingervangertje blijkt ook te ontbreken. Maar wie weet nog wat slingervangertje was?