Reportage

Het verdriet van Brabant – schoonmakers over hun werk in bussen, verpleeghuizen en crematoria

Schoonmaak Alles is anders voor de schoonmakers in Noord-Brabant. Schoonmaak werd desinfectie, bloemetjesgeur alcohollucht, het praatje bij de koffie-automaat werd te gevaarlijk. Maar bovenal maakte het om zich heen grijpende virus hun werk vele malen belangrijker. „Het voelt als noodzaak. Het moet.”

Schoonmaakster Dorien Sanders in een uitvaartcentrum in Veldhoven.
Schoonmaakster Dorien Sanders in een uitvaartcentrum in Veldhoven. Foto Merlin Daleman

Gelukkig heeft Angelique Ruijters (45) een out of bed-look. Ze maakt schoon in een verpleeghuis in Rosmalen en sinds de eerste verdenking van corona bij een bewoner ziet alle personeel er hetzelfde uit: ruimtepak, veiligheidsbril, mondkapje. Maar zien de bewoners de blonde lokken van Angelique vanonder het pak alle kanten op springen, dan knikken ze verheugd. „Daar hebben we dat bleumke weer.”

De schoonmaak is cruciaal, weet Ruijters, maar het praatje minstens zo belangrijk. Steevast begon ze haar ochtenddienst vanachter de kar, werkschort voor en de ontbijtzaal in. „Kijken wie er waren. Even kletsen. Ik had de tijd.”

Dat was vóór de coronacrisis. Toen Hicham Asaad (55) nog de overvolle prullenbakken leegde in een winkelcentrum in Breda, Jeanet Kwisthout (52) zich nog kon ergeren aan de vieze zolen van kantoorpersoneel dat over haar net geboende vloer liep in Den Bosch, en Joyce Nazier (36), reiniger van het gemeentehuis in Uden, nog een praatje durfde te maken bij de koffieautomaat. Het was de tijd dat Evelyn Moné (39) zich nog niet bekommerde om vieze knopjes in haar bus en Dorien Sanders (50), schoonmaker in een uitvaartcentrum in Veldhoven, nog achteloos kon kijken naar het planningbord met het wekelijkse aantal crematies.

Alles is nu anders. Op 27 februari werd in Tilburg de eerste coronabesmetting vastgesteld en sindsdien breidde het virus zich als een olievlek uit over Noord-Brabant en later heel Nederland. Het oosten van de provincie werd een brandhaard. Zeker duizend Brabanders overleden aan corona, de sterfte in Uden en Grave was zesmaal hoger dan normaal, ziekenhuizen en uitvaartcentra kunnen de druk nog altijd amper aan en op straat is het stiller dan ooit.

Lees ook: Corona in het Brabantse dorp Erp

Liefst hadden de schoonmakers de hele olievlek met hun microvezeldoekjes grondig weggepoetst. Wrijven, schrobben, polijsten, schuren, tot het hele land weer glanst als nieuw. Maar het gevaar is onzichtbaar. Het hangt in de lucht, kleeft aan het oppervlak en niemand weet waar: de virusdeeltjes van Covid-19 zijn een tienduizendste van een millimeter groot. Controle is geen optie, een gevoel ván het hoogst haalbare. Afstand houden, hygiëne, meer kun je niet doen.

Schoonmaak heet nu desinfectie, de geur van bloemetjes is vervangen door die van alcohol. Nadat de schoonmakers door het kabinet werden bestempeld als „cruciaal” pakten ze de rubber handschoen op en goten in hun emmers een extra dopje bleek. Deurklinken, handvaten, toetsenborden, knopjes; nooit eerder waren ze zó schoon. De schoonmakers in Brabant voeren hun eigen strijd.

Weet je hoe Karin van den Broek (50) in de boterfabriek van Campina in Rosmalen een kraan afneemt? „Eerst doe ik met een doekje de tegelwanden af, dan de achterkant van de kraan, ik vouw het doekje om en pak een schoon stuk, daar doe ik de rest van de kraan mee af, dan vouw ik ’m weer om, doe ik de knop af, omvouwen, dan de zijkant én de onderkant.”

De mensen snappen het niet. Ze moeten iets met eigen ogen kunnen zien om te beseffen dat het er is

Karin van den Broek - schoonmaker in boterfabriek

De onderkant, júíst de onderkant. „Plekken waar je in eerste instantie niet aan denkt.” Het is maar goed, zegt Van den Broek, dat ze tijdens de schoonmaak een helm op heeft. „Als je mij bezig ziet…”

Een zwarte veeg wegpoetsen is geen kunst. Maar de kwart miljoen schoonmakers van Nederland wisten altijd al dat juist het onzichtbaar vuil het grondigst bestreden moet worden. De bacteriën, de virussen, dat zijn de ziekteverwekkers. Dat is het vuil waar geen rekening mee gehouden wordt, waar mensen achteloos in grijpen. „Maar de mensen snappen het niet”, zegt Van den Broek. „Ze moeten iets met eigen ogen kunnen zien om te beseffen dat het er is.”

Het besef

Al meteen na die eerste besmetting in Tilburg begonnen veel schoonmakers thuis met het desinfecteren van deuren en meubilair. Patience Geerts (35) van Geerts Cleaning Service uit Etten-Leur stopte haar schoenen in een badje met sop voordat ze haar huis binnenging, boodschappen nam ze af met een hygiënisch doekje. „Doe niet zo overdreven”, hoorden ze om zich heen.

Patience, die vooral kantoorpanden schoonmaakt, stuitte daar aanvankelijk op „non believers”. Ze besloot na die eerste besmetting in alcohol gedrenkte microvezeldoeken te gebruiken – wegwerpmateriaal. „Eéntje van de rol af. Deurklink afnemen en weg.” En dat allemaal voor „een griepje”, zeiden de kantoormensen. Ze deden er in het begin „een beetje giebelig” over.

Lees ook: Het ziekenhuis dat niet dacht: is het echt zo erg?

Een paar dagen later, nadat het RIVM het belang van hygiëne had benadrukt – en niet aan je gezicht zitten! – veranderde de toon. Werknemers die voorheen liever doorwerkten als Patience Geerts hen vroeg of ze hun toetsenbord en muis mocht afnemen, gaven haar plots ruim baan. En, Patience en haar collega’s merkten een afname van „residu” op de toetsenborden. Vooral de beige waas make-up die soms op de toetsen belandt nadat iemand zijn gezicht heeft aangeraakt, werd zienderogen minder.

Inmiddels maakt heel Nederland schoon. Beveiligers die normaal gesproken op muziekfestivals werken, poetsen nu de karretjes van Karwei. Er gaan extra doekjes over de pinapparaten, het interieur van taxi’s. In supermarkten is het schap met hygiëneartikelen nog nooit zo vaak gevonden en Rioned, een koepelorganisatie voor stedelijk waterbeheer, roept op om ontsmettingsdoekjes niet in de wc te gooien – de riolering raakte verstopt.

Patience Geerts begon zelfs met de „preventieve desinfectie” van speeltuintoestellen nadat ze door de coronacrisis in één klap het grootste deel van hun klanten, allemaal horeca, verloren. In witte pakken en met flessen schoonmaakmiddel op hun rug deden ze aan het „innevelen” van lokale speeltoestellen, maar ze werden teruggefloten door de gemeente die vond dat ze een angstbeeld creëerden.

Evelyn Moné (39), normaal buschauffeur, kon het niet meer áánzien, al die viezigheid. Ze rijdt vanwege de afgebouwde dienstregeling wekelijks nog maar enkele keren haar routes rondom Helmond. In de tijd die nu overblijft maakt ze de bussen schoon van Hermes, haar werkgever. Ze heeft zichzelf aangemeld.

Moné is niet bang voor corona, maar ze is wel alert. „We zitten in Brabant, in de brandhaard van de infectie. Ik heb een zoon van twaalf die chronisch ziek is. Hij is kwetsbaar en valt in de risicogroep. Ik maak me daar zorgen over.” Bovendien, ze komt met de bus langs alle plekken waar mensen besmet kunnen raken. Ziekenhuizen bijvoorbeeld. „Er zijn genoeg passagiers die van Eindhoven Airport komen of van Schiphol en die mij vertellen welke grensposten ze allemaal hebben moeten passeren. Ik voel me daar niet prettig bij. Als mensen hoesten, dan weet je niet of ze hooikoorts hebben of besmet zijn.”

Evelyn Moné, normaal buschauffeur, wil tijdelijk liever bussen reinigen.

Foto Merlin Daleman

Ze heeft nu een stuk of veertig bussen gepoetst. Rijden doet Moné vanachter een lint, zonder beschermende kleding, maar bij het schoonmaken trekt ze handschoenen aan en doet ze een mondkapje op. Ze wandelt naar een van de bussen in de remise in Eindhoven en haalt een tandenborstel tevoorschijn. „Hiermee wip ik alle knoppen in de cabine eraf. Dan kom je nog al eens wat tegen. Huidvetten. Stof. Viezigheid. Kauwgom.” Ook het pinapparaat krijgt een grondige beurt. „Je wilt niet weten hoe veel mensen daar elke dag met hun vingers aan zitten.”

De stilte

Op veel plekken is de schoonmaak juist afgebouwd. De horeca verstoft, de kantoortuin, de kledingwinkel, het woonhuis. Als gevolg zijn in de branche vooral werksters en uitzendkrachten de klos. Maar ook vast personeel van grote schoonmaakbedrijven als Hago wordt herverdeeld. „Wij hebben nu collega’s van de C&A erbij”, zegt Jeanet Kwisthout die met een grote ploeg de grotendeels lege kantoren van verzekeraar CZ in Den Bosch schoonmaakt.

Joyce Nazier (36), schoonmaker op het gemeentehuis van Uden, door corona zwaar getroffen, werkt normaal vijf dagen in de week, nu twee of drie. De raadszaal wordt nog amper gebruikt en veel extra taken zoals koffie rondbrengen bij wethouders en burgemeester, zijn vervallen. Het beperkte werk wordt verdeeld onder alle collega’s.

Hoewel de ruimtes leeg zijn, gaat het desinfecteren door. Met handschoenen aan, en een spulletje met véél alcohol – je moet het niet in je neus krijgen – nemen ze de klinken af, de liftknopjes. „Je weet niet of er iemand is geweest”, zegt Kwisthout. Tijdens haar werk in het kantoorpand waar normaal ruim duizend mensen werken, komt ze vaak alleen nog de portier tegen. „Het is echt heel stil.”

Het is soms eenzaam, zegt Joyce Nazier. „Normaal had ik bij het koffie schenken veel sociaal contact, nu maak ik alleen nog af en toe een praatje met de medewerkers die niet thuiswerken. Of we zwaaien. Dat voelt gek. En als het bijvoorbeeld druk is bij een koffiemachine, omdat de andere buiten werking is, dan ga ik meestal eerst op een andere plek schoonmaken totdat de mensen weg zijn.”

In winkelcentrum Moerwijk in Breda, dat dagelijks door Hicham Asaad (55) onder handen wordt genomen, zijn de prullenbakken minder vol en de vloeren lang niet zo plakkerig als voorheen. Maar er is iets geks aan de hand sinds de coronacrisis: „Buiten ligt ineens veel méér afval. Mensen gooien van alles weg. Handschoenen. Vochtige doekjes. Vuilniszakken. Lege wijnflessen. Een groot kussen van een bank.” Misschien komt het doordat schoolkinderen nu vaker langslopen, en doordat mensen hun huis opruimen, zegt hij. Als Asaad mensen afval ziet dumpen, spreekt hij hen aan. „Dan antwoorden ze niet. Of ze zijn agressief: ‘Jij bent toch de schoonmaker?’ Voor mij is dat stress. Waarom moet ik die troep opruimen?”

Hicham Asaad merkt dat in ‘zijn’ winkelcentrum in Breda meer troep op straat ligt.

Foto Merlin Daleman

Eén voordeel zien ze wel: er is nu eindelijk tijd voor schoonmaakwerk waar je normaal niet aan toe komt. In de raadszaal maakt Nazier nu de stoelen uitgebreid schoon. En voor het eerst zijn in de kantoren ook toetsenborden aan de beurt. Met chirurgische precisie werkt ze, wattenstaafje in de hand, de hoekjes van de toetsen bij.

Op de kantoren komt Jeanet Kwisthout nu „eindelijk” aan de binnenkant van de kasten toe. De verwarmingsroosters in het plafond, de stoelen, de tafelpoten. „Normaal doe je die alleen even met een plumeau. Nu kun je eens extra lekker alles meepakken. Voor je eigen gemoedstoestand is dat wel prettig.”

Lees ook: Schoonmaker Patricia is haar inkomsten kwijt

Het verdriet

De schoonmakers, die zelf zoveel eer in hun werk scheppen, zagen de erkenning al die jaren amper terug. Zij willen gezien worden, maar de samenleving houdt hen liever onzichtbaar. Werken in de avonduren opdat alles ’s ochtends weer blinkt.

In de tweede helft van de negentiende eeuw benadrukten ‘hygiënisten’ het belang van een schone omgeving voor de volksgezondheid. Dat gaf de schoonmaak even een heel nieuw cachet. Hoewel een brandschone woning halverwege de twintigste eeuw een groot statussymbool was – het liet zien dat de vrouw des huizes kon poetsen als de beste of dat de heer des huizes genoeg geld had voor een dienstmeid – kreeg de schoonmaker die waardering niet. En terwijl ‘pandemie’ steeds meer een woord werd uit een ver verleden, was een stofvrij huis al lang niet meer statusverhogend voor de vrouw, die was immers ook gewoon buitenshuis aan het werk.

Maar sinds op 6 maart de eerste Nederlander aan corona stierf, is de noodzaak van hygiëne pas écht ingedaald.

Aan flatgebouwen hangen spandoeken voor ‘de helden uit de schoonmaak’ en in zijn speech noemde zelfs Mark Rutte hen cruciaal. Ook door Google werd de schoonmaker op het schild geheven, hun logo werd aangekleed met illustraties van emmers en dweilen.

De schoonmaker als held, dat had Jan Allaart (55) niet verwacht toen hij begin maart de eerste oproep kreeg om het appartement van een zieke bewoner te reinigen. Normaal doet hij de vloeren van een woonzorgcentrum in Breda, maar zijn collega’s moesten nog worden bijgeschoold over desinfectie en hij had die cursus al gedaan. Dus hup, overall dicht, mondkapje op, handschoenen aan. De dagelijkse poetsbeurt duurt tien minuten. „De focus ligt op de wand- en contactpunten, en natuurlijk het toilet en de douche.”

Lees ook: Dagboek van een mantelzorger

In de Brabantse verpleeg- en verzorgingshuizen is het moeilijk het virus onder controle te krijgen. En daar, in het epicentrum van de coronacrisis, zien de schoonmakers het verdriet. Tijdens de schoonmaaksessie op dag vier van het ziektebed overleed de bewoner terwijl Allaart aan het schoonmaken was. „Het ademen gaat moeilijker en dan… Je ziet het aan de ogen, die zijn ineens leeg.” Inmiddels zijn acht mensen overleden van wie Allaart het appartement reinigde.

Ook Angelique Ruijters, van het verpleeghuis in Rosmalen, maakt de kamers van zieke patiënten schoon. „Je zegt goedemorgen maar vaak zeggen ze niks terug. Eén vrouw kon redelijk praten. Ze wilde weten wat voor dag het was. Het was dinsdag en ze dacht dat het zaterdag was.” De bewoners verstaan haar altijd al slecht, maar met een mondkapje is het nog moeilijker.

Schoonmaken, zegt ze, is nu een van de belangrijkste dingen. „Het moet schoon want anders krijg je het niet weg. Het voelt als noodzaak. Het moet. Op een dag moet ik alles gedaan hebben om ervoor te zorgen dat het schoon is. Dat zit tussen mijn oren. Om die mensen te beschermen. De drukpunten, de aanraakpunten, de klinken, die wil je allemaal gedaan hebben.” Acht of negen van de dertig bewoners zijn de afgelopen weken overleden. Omdat Angelique verkouden is, is ze al een paar dagen niet geweest. „Dus ik weet niet hoeveel er nu nog zijn.”

Vorige week was er een man die zei: ik heb niks uitgevreten en toch zit ik gevangen

Jan Allaart - schoonmaker in verpleeghuis

Als de mensen die ziek zijn nog goed kunnen praten, gaat het meestal over vroeger, zegt Jan Allaart. „De verpleegkundigen hebben het te druk om uitgebreid te kletsen, wij hebben iets meer tijd.” Het mag eigenlijk niet, maar soms houdt hij een schouder vast. „Ik heb toch handschoenen aan.” De gesprekken gaan ook veel over familie die ze nu niet kunnen zien. „Vorige week was er een man die zei: ik heb niks uitgevreten en toch zit ik gevangen.”

Jan Allaart maakt in een verpleeghuis kamers van zieke mensen schoon.

Foto Merlin Daleman

Aan het einde van de dag doet Allaart zijn mondkapje af, overall uit, handschoenen weg. Alles laat hij achter op zijn werkplek. „Ik moet voorzichtig doen, want ik woon samen met mijn moeder van 83.” In de auto belt hij met zijn leidinggevende bij Hago Zorg. „Mijn verhaal kan ik wel kwijt.” Het klinkt misschien gek, zegt Allaart, „maar ik ben blij dat ik dit mag doen”.

De doden

Het leed treft ook de schoonmakers zelf. Vrijwel allemaal kennen ze mensen die het virus hebben gehad. Dus doen ze voorzichtig, houden afstand. In de ploeg van Jeanet Kwisthout zijn momenteel veel zieken, „niet allemaal corona hoor”, en toen een collega laatst eindelijk weer beter was, werd die op de eerste dag na één nies alweer naar huis gestuurd.

Hicham Asaad, van het winkelcentrum, is niet bang om ziek te worden. „Ik ben moslim. Wat Allah voor mij heeft geschreven, gaat gebeuren. Alles heeft een reden.” Hij beschouwt de crisis als „een les voor de mensheid”. Maar afstand houdt hij wel, net als Joyce Nazier, die in Veghel woont en veel mensen kent die zijn besmet. Een aantal overledenen kende ze van gezicht. „En dan komt het wel héél dichtbij.”

Dorien Sanders (50), schoonmaker van het crematorium in Veldhoven, heeft in spanning gezeten om haar schoonvader, die met corona in het ziekenhuis gelegen heeft. Hij heeft het overleefd „maar hij heeft echt tegen de hemelpoort aangezeten”. Juist in de week dat hij zo slecht lag, had ze het in het crematorium drukker dan ooit. „Als dan mijn telefoon ging, kreeg ik onderhand een hartverlamming van de schrik.”

Samen met Désirée Straver (46) desinfecteert Dorien Sanders alle plekken in het crematorium waar een hand kan komen. De schoonmaak duurt niet langer dan normaal, want de koffiekamer kunnen ze overslaan.

Vinden er normaal twintig diensten in de week plaats, nu is dat het dubbele. Er is een extra koelruimte gemaakt en Dorien en Désirée werkten de afgelopen weken voor het eerst ook op zondag. „Als je ’s ochtends binnenkomt, staat de gang vol met kisten met bloemen erop.”

Ze proberen er niet te veel bij stil te staan dat in veel van de kisten coronapatiënten liggen. Désirée Straver: „Als ze iemand komen brengen die echt net is overleden en alleen een laken over zich heen heeft, lopen we wel even de keuken in. Er zijn grenzen, hè. Dorien Sanders: „Als ze die komen brengen, dragen ze ook mondkapjes.”

Maar ze kúnnen er niet omheen. Elke ochtend kijken de twee op het bord voor de weekplanning en dan zien ze het somber in. Dorien Sanders: „Gisteren stond de teller op 34, nou staan er weer enkelen bij.” „Nou, dat doet wel wat hoor”, zegt Désirée Straver. „Als mensen zeggen dat het nu allemaal wel meevalt met die corona, dan zeg ik: „Kom maar eens bij ons op het bord kijken. Het valt niet mee.”