Recensie

Recensie Boeken

Een safarigids die ook oog voor het kleine heeft

Kinderboek Joukje Akveld is zelf de ‘Goed Getrainde Gids’ die ze jonge safarigangers aanraadt – en daarvoor hoeven zij dankzij haar niet naar Afrika. Ze beschrijft het wildleven met humor en ontnuchterende realiteitszin.

De pagina over cheeta's, met een foto van Ariadne van Zandbergen.
De pagina over cheeta's, met een foto van Ariadne van Zandbergen. Beeld uit besproken boek

‘Geduld, Geluk en een Goed Getrainde Gids’, dat zijn de ‘5 G’s’ die je nodig hebt als je op safari gaat, volgens schrijver-journalist Joukje Akveld. En zij kan het weten: meerdere keren doorkruiste ze Afrika. In 2018 en 2019 verbleef ze er zelfs vijftien maanden. Met een auto reed ze van Kaapstad naar Oeganda en weer terug. Maar liefst zestig wildparken bezocht ze. Ze verzamelde een bonte stoet verrassende beestenweetjes die ze op een ludieke manier bundelde in Wat niet in de safarigids van je ouders staat.

Wacht vooral niet, omdat de coronacrisis ons aan huis gekluisterd houdt, met grasduinen in deze gids: op safari gaan in je hoofd blijkt allerlei voordelen te hebben. Van stroomuitval – een typisch Afrikaans euvel – zul je geen last hebben. Ook hoef je niet je kleren uit te schudden om ze van kakkerlakken of schorpioenen te ontdoen, voordat je je aankleedt. En van die ‘5 G’s’ blijk je eigenlijk alleen die ‘Goed Getrainde Gids’ nodig te hebben.

‘Little five’ en ‘sad five’

Akveld is zo’n gids. Eentje die kan schrijven bovendien. Ze hanteert een beeldrijke taal en humorvolle schrijfstijl waarbij ze je terloops direct aanspreekt, op een manier die Bibi Dumon Tak, de koningin van de literaire (kinder)non-fictie, in herinnering roept. Zo waan je je moeiteloos op een dierenspeurtocht door de bush. Voordat je het weet sta je, zonder geduld te hoeven betrachten en afhankelijk te zijn van geluk, zomaar oog in oog met een ‘Grote Vriendelijke Grasmaaier’, zoals Akveld de buffel verbeeldingsvol typeert, of vergaap je je – want begrijpen kun je hem niet – aan de voor ons ‘te hoog gegrepen’ giraf, of ontdek je een klipdas, de cavia-achtige achterneef van de olifant.

Dat is het leuke van deze gids: je ontdekt dieren waarvan je het bestaan niet kon vermoeden. Afrika is beroemd om haar ‘big five’. Maar, schrijft Akveld terecht, ‘wie alleen de horizon afspeurt naar grote contouren, ziet veel bijzonders over het hoofd’. Zoals de olifantsspitsmuis, een van de zogenaamde ‘little five’, of de hottentothaas, Afrika’s meest bedreigde zoogdier uit het rijtje van de ‘sad five’. Deze ‘niet de big five-lijstjes’ maken, samen met de sprekende kleurenfoto’s van Ariadne van Zandbergen en terugkerende hoofdstukjes als ‘hoe overleef ik mijn safari’ en ‘facebook in de bush’ (over sporen van dieren), een aangenaam zapboek van deze gids, die onmiskenbaar volgens Akvelds eigen natuurwetenschapswetten is ingedeeld.

Wildehondendemocratie

Haar toon mag dan luchtig zijn, dat weerhoudt Akveld er niet van het wildleven met ontnuchterende realiteitszin te beschrijven. Leven en overleven, daar gaat het om. Zo is in een roedel wilde honden één alfa-paar altijd de baas, dat de puppy’s krijgt. De rest helpt met opvoeden en jagen. En wie dat vindt klinken als ‘een dictatuur met veel unhappy underdogs’, heeft de natuur niet begrepen, legt Akveld geestig en doeltreffend uit: ‘Een wildehondensamenleving is zuivere democratie. Als ze na een rustpauze ontwaken, stemmen ze of ze nu gaan jagen of straks’, door te niezen. Alleen bij ‘een niezende’ meerderheid wordt de jacht geopend. En dat gaat er ‘wildhonds’ aan toe: ze ‘rennen, putten uit, rukken de darmen uit hun prooi en dat is dat.’

Opvallend is de pagina over ‘de meest voorkomende primaat ter wereld’: de mens, die Akveld op net zo’n laconieke manier beschrijft als de overige dieren. Tussen de regels door proef je echter hetzelfde kritische engagement dat haar eerder inspireerde tot Wij waren hier eerst (2017), haar met een Zilveren Griffel bekroonde kinderboek over het human wildlife conflict. Mensen vinden zichzelf de helden van de bush, maar met al hun gebreken is het onterecht dat ze denken dat ze boven andere dieren staan. ‘Als dat al zo is, is het omdat ze valsspelen met auto’s en geweren’, schrijft Akveld. Misschien kunnen we beter sowieso maar niet meer op safari gaan. Behalve in ons hoofd.