Dit is het moment om keuzes te maken voor de wereld na corona

Essay | De wereld na corona Dat alles overhoop ligt, biedt ook mogelijkheden voor fundamentele verandering. „De regering moet niet alleen nadenken over een exitstrategie, maar ook over een toekomst- of hervormingsstrategie.”
Foto Getty Images

‘Never waste a good crisis’, zo luidt het adagium. Daarom maakt NRC een serie interviews ‘De wereld na corona’ over de vraag: hoe kan de coronacrisis worden aangewend om de samenleving te veranderen? De interviews zijn niet bedoeld om de toekomst te voorspellen, maar om denkrichtingen te bieden over hervormingen van (onder andere) de landbouw, globalisering, democratie, voedsel, kunst, technologie en toerisme.

De samenleving hervormen zou je kunnen vergelijken met je huis opruimen. Tijdens het opruimen is alles in beweging, niks is te veel moeite, dingen worden weggegooid, opgehangen, schoongemaakt, verplaatst. Na het opruimen stolt alles in de vorm die het heeft aangenomen en daarna lijkt het weer bijna onmogelijk die te wijzigen.

Zo is het ook met de samenleving. Relatief kleine hervormingen zijn ondoenlijk, totdat er een crisis uitbreekt. Dan lijkt onder druk ineens alles vloeibaar. In de bestuurskunde wordt een crisis een permissive condition genoemd, oftewel een toestand die mogelijkheden schept, zegt bestuurskundige Marij Swinkels. „Het maakt de dingen fluïde, het biedt ruimte.” Mensen die verandering willen, kunnen die ruimte gebruiken om hun ideeën onder de aandacht te brengen.

Dat laatste zagen we de afgelopen weken al voorzichtig gebeuren. Politici en denkers van allerlei pluimage grepen de crisis aan om hun eigen idealen weer in de etalage te leggen: het basisinkomen moet worden ingevoerd, de grenzen moeten dicht, dít is het moment voor vergroening, vernietig het kapitalisme!

Toch is er na de vorige crisis, die van 2008, weinig veranderd. Hoe realistisch is het eigenlijk om te verwachten dat een crisis als de huidige structurele veranderingen teweegbrengt?

De aangewezen persoon om dit aan te vragen is Walter Scheidel, hoogleraar geschiedenis aan Stanford University. Drie jaar terug publiceerde hij The Great Leveler, waarin hij beschreef hoe grote schokken (oorlogen, pandemieën, revoluties en ineenstortingen van staten) in de geschiedenis de sociaal-economische ongelijkheid hebben verkleind. Na de pestepidemieën in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd nam die ongelijkheid sterk af, om pas na een tijdje weer te stijgen.

Of de coronacrisis zo’n schok is, valt te bezien, zegt Scheidel via Skype. „Om de ongelijkheid te verkleinen, moet een pandemie zoveel mensen doden dat de lonen omhooggaan en de huizenprijzen dalen. De huidige pandemie is daarvoor niet dodelijk genoeg. Die zal vooral indirect, via het beleid dat erop volgt, invloed hebben op de ongelijkheid.”

De geschiedenis leert: revoluties blijven uit na een pandemie

Qua impact kun je de coronacrisis beter vergelijken met andere economische crises dan met ontwrichtende pandemieën, aldus Scheidel. Doen we dat, dan is het beeld gemengd: na de Grote Depressie van de jaren dertig nam de ongelijkheid af, maar na de financiële crisis van 2008 steeg die juist. „Ik denk niet dat we nu wél een grote verandering kunnen verwachten’”, zegt Scheidel. „Daarvoor moet een crisis de politieke orde destabiliseren, en dat gebeurt alleen bij wijdverbreide armoede en ellende. Die wordt nu voorkomen door het ingrijpen van overheden en centrale banken én door de capaciteit van de wetenschap om heel veel levens te redden. Hierdoor blijven de behoudende krachten sterk, en dat houdt hervorming tegen.”

Fundamentele zwaktes

Toch ziet hij ook een verandering ten opzichte van 2008: ongelijkheid is een populairder thema geworden. „Mensen praten erover en je hebt nu politici als [ex-Labourleider] Jeremy Corbyn en [oud-presidentskandidaat] Bernie Sanders. Misschien hebben meerdere kleine crises wel een cumulatief effect, waardoor er nu toch iets verandert. Deze crisis werkt dan als een katalysator.”

Ook Bas van Bavel, hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, denkt dat er na de vorige crisis iets is veranderd in de heersende opinie. „Er zitten fundamentele zwaktes in de Nederlandse economie, zoals het grote aandeel flexwerkers en de hoge belasting op arbeid ten opzichte van die op vermogens. Daar is de laatste tijd best veel over gesproken, ook bij de Bilderbergconferentie van VNO-NCW.”

Toch zegt de opkomst van een bepaald idee nog weinig over hoe de samenleving zal veranderen, denkt Van Bavel. „Ideeën moeten beschikbaar zijn, maar op zichzelf zullen ze nooit bepalend zijn. Belangengroepen moeten die ideeën naar voren duwen.” Als voorbeeld noemt hij de verwoestende aardbeving in Lissabon van 1755. „Er kwam daarna een hervormingsgezinde beweging aan de macht die de greep van het feodale systeem doorbrak. Maar die had als opkomende bourgeoisie al maatschappelijke kracht opgebouwd vóór de crisis.”

Ook Gabriël van den Brink, emeritus hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde aan Tilburg University, zegt: welke ideeën winnen, hangt af van de krachtsverhoudingen. „Het hangt ervan af hoe de elites in een land, de regeringsleiders, ondernemingen, intellectuelen, denken over de crisis.” Dat na de Tweede Wereldoorlog linkse én rechtse kabinetten eensgezind de verzorgingsstaat opbouwden, vloeide voort uit gesprekken die al tijdens de oorlog waren gevoerd in interneringskamp Sint-Michielsgestel, zegt hij: daar bespraken liberale, socialistische en christen-democratische politici met elkaar hoe het verder moest na de oorlog.

Crisis maakt de dingen fluïde, biedt ruimte. Mensen die verandering willen, kunnen hun ideeën onder de aandacht brengen

Marij Swinkels bestuurskundige

Soms duurt het even voor een bepaald idee ‘landt’ – de tijd moet er rijp voor zijn, zegt Van den Brink. „Vrijemarktdenker Milton Friedman heeft zijn ideeën bijvoorbeeld in de jaren vijftig ontwikkeld, maar pas in de jaren zeventig, na de oliecrisis, werd hij invloedrijk.”

Een voorbeeld van zo’n idee dat langzaam terrein won is de Europese bankenunie, vertelt bestuurskundige Marij Swinkels. Zij onderzoekt aan de Universiteit Utrecht hoe het idee van een bankenunie opkwam in de eurocrisis. „In de eerste drie jaar na het uitbreken van de eurocrisis vonden er geen fundamentele beleidsveranderingen plaats,” vertelt ze. „Het dominante idee was in die jaren dat de eurocrisis was veroorzaakt door economisch wanbeleid van de lidstaten.” Dat ‘frame’ is omgedraaid door een coalitie van toenmalige EU-leiders, onder wie ECB-voorzitter Mario Draghi, eurocommissaris Olli Rehn, Commissievoorzitter José Manuel Barroso en voorzitter van de Europese Raad Herman van Rompuy, vertelt Swinkels. „Zij vertelden een alternatief verhaal, over een vicieuze cirkel tussen banken en lidstaten. Steeds meer leiders sloten zich bij dat verhaal aan. Daardoor raakten de tegenstanders van een bankenunie, zoals Merkel en Wolfgang Schäuble, gevangen in een nieuw dominant ideeënframe.”

Wat Swinkels, Van Bavel en Van den Brink allemaal benadrukken: er is geen automatisch antwoord op een crisis. Schietincidenten hebben in de VS weinig veranderd aan de wapenwetgeving, terwijl Nieuw-Zeeland meteen na de schietpartij in Christchurch verregaande wapenbeleidshervormingen heeft doorgevoerd, zegt Swinkels. Van den Brink verwijst naar de beurskrach van 1929: in de VS leidde die tot de sociale politiek van de New Deal, in Duitsland tot de opkomst van Hitler. En ook de pestepidemieën hadden geen eenduidige gevolgen, vertelt Van Bavel. In Engeland en de Nederlanden gingen de lonen omhoog, maar in Italië werden ze bevroren door de elites. In Oost-Europa werden mensen uiteindelijk zelfs als horigen tewerkgesteld. Dat dat in de Nederlanden niet gebeurde, kwam door de sterke organisatie van gewone mensen in gilden, broederschappen en verenigingen, zegt hij.

Sociale wetenschappers

Die organisatiegraad is ook in de twintigste eeuw van belang geweest, vertelt Van Bavel. „De opbouw van de verzorgingsstaat vond plaats in een samenleving waarin er een sterke balans was tussen de verschillende sociale groepen. Mensen waren georganiseerd in verenigingen, boerenbonden, coöperatieve banken en verzekeringsbedrijven. Die balans hebben we in de jaren 90 met elkaar afgebroken. De invloed van private actoren is gegroeid, en dat heeft de reactie op de crisis van 2008 bepaald. Ik zie nog niet dat dat veranderd is.”

Hij zegt dus, net als Walter Scheidel: vanwege de huidige krachtsverhoudingen is er slechts een kleine kans dat deze crisis tot fundamentele veranderingen gaat leiden – ook al winnen hervormingsgezinde ideeën over bijvoorbeeld flexibele arbeid aan invloed.

Lees ook: Wetenschappers over exitstrategieën

Volgens Marij Swinkels heeft de overheid een belangrijke taak bij het zorgen voor hervormingen. „Het is een taak voor overheden om te leren van een crisis, dus het is belangrijk om daar nu al capaciteit voor vrij te maken”, zegt ze. „Ze zitten nu vooral met het Outbreak Management Team om tafel, maar nog niet veel met sociale wetenschappers. Ze moeten niet alleen nadenken over een exitstrategie, maar ook over een toekomststrategie, of hervormingsstrategie. Ze zouden bijvoorbeeld, een beetje à la de Nationale Wetenschapsagenda, kunnen kijken: wat vindt het publiek belangrijk?”

Keuzes moeten nú gemaakt worden, zegt ook Gabriël van den Brink. „Dit is het moment om te kiezen, omdat alles nu overhoopgehaald wordt. En de keuzes die je nu maakt, hebben nog lang consequenties. Het is vergelijkbaar met wissels op het spoor. Je kunt naar links of naar rechts, en dan kom je uiteindelijk in stad A of B uit.” Eenmaal in stad B, kun je moeilijk zeggen: doe mij toch maar stad A. „Je kunt de geschiedenis niet herschrijven.”

Rest de vraag: hoe duurzaam zijn dit soort hervormingen? Dat hangt ervan af hoeveel impact de crisis had, zegt Walter Scheidel. „De Grote Depressie bleven mensen zich de rest van hun leven herinneren, de crisis van 2008 veel minder.” Voor een grote impact hoeft een crisis niet alomvattend of langdurig te zijn: het kan ook één incident zijn dat zich in de collectieve herinnering grift. Marij Swinkels noemt de Watersnoodramp van 1953. „Die leidde in het watermanagement tot fundamentele hervormingen.” In welke categorie de coronacrisis valt, is nog een open vraag.