Primatoloog Richard Wrangham: „Ons geweten bestaat ook uit negatieve elementen, zoals angst voor straf”

Foto Jason Grow

Interview

Antropoloog Richard Wrangham: ‘In potentie zijn we allemaal kleine dictators’

Richard Wrangham De Britse antropoloog en primatoloog Richard Wrangham gelooft niet dat mensen van nature goed òf slecht zijn. Hun natuurlijke agressie is in de evolutie gedeeltelijk bedwongen, met behulp van doden en straffen.

Dat de mens vredelievend én gewelddadig kan zijn weet iedereen, maar over waarom dat zo is, wordt al eeuwenlang gebekvecht. Zijn we gemoedelijke wezens die gecorrumpeerd worden door krachten van buiten – voorheen door de listen van de Duivel, tegenwoordig door de verwrongen maatschappelijke structuren – ongelijkheid, opruiende politici, institutioneel racisme, imperialisme? Of is de mens van nature zelfzuchtig en agressief en moet hij juist in toom worden gehouden? In filosofisch steno: het is Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) versus Thomas Hobbes (1588-1679).

Pleitbezorgers van deze radicaal verschillende mensbeelden bestrijden elkaar tot op de dag van vandaag. Maar volgens de Britse antropoloog en primatoloog Richard Wrangham (72) zit ons altruïsme én onze nietsontziende moorddadigheid beide in onze genen. De menselijke soort is sociaal gezien opvallend weinig agressief en blijkt tegelijk in staat tot het aanrichten van enorme slachtpartijen. Hoe de evolutie deze vreemde gespletenheid in ons heeft verankerd, is de vraag die Wrangham beantwoordt in The Goodness Paradox, dat vorig jaar verscheen.

Ik spreek Wrangham via Skype. Tot begin dit jaar doceerde hij aan de universiteit van Harvard, nu zit hij samen met zijn vrouw in isolatie in de buurt van het Engelse Cambridge. Toen hij in jaren zeventig als student deelnam aan een onderzoeksproject van de beroemde primatoloog Jane Goodall, schrijft hij in The Goodness Paradox, had hij niet gedacht dat hij ooit een boek over mensen zou schrijven.

„Natuurlijk was ik in apen geïnteresseerd omdat ze ons iets over mensen konden leren, maar ik zag mijzelf in de eerste plaats als iemand die dieren bestudeerde. Toen ik me begon bezig te houden met de verschillen tussen chimpansees en bonobo’s, besefte ik dat die me mogelijkerwijs iets kon vertellen over de evolutie van homo sapiens. Bonobo’s zijn vredelievender dan chimpansees. Dat is verrassend omdat ze fysiek zoveel op elkaar lijken. Heel lang had men niet eens door dat het om twee verschillende soorten ging. Terwijl ze psychologisch en emotioneel heel anders in elkaar zitten. Dat riep bij mij de fascinerende vraag op hoe evolutie werkt, hoe kleine morfologische verschillen grote verschillen in gedrag kunnen veroorzaken.”

Volgens u is het grote verschil dat bonobo’s zichzelf gedomesticeerd hebben. Hun niet-vijandelijke omgeving maakte het gemakkelijker voor tamme apen om te overleven.

„Wolven en honden lijken ook op veel elkaar, ze zijn nauw aan elkaar verwant, maar het verschil in anatomie en gedrag loopt parallel aan het verschil tussen chimpansees en bonobo’s. Dus denk ik dat bonobo’s zichzelf hebben gedomesticeerd, minder geneigd tot agressie en geweld dan de voorouders die ze met chimpansees delen. Net zo heeft de mens zichzelf gedomesticeerd ten opzichte van zijn eigen voorouders. Hij is daardoor minder impulsief agressief geworden.”

Het idee dat een soort zichzelf kan domesticeren werd lang voor onmogelijk gehouden. Er werd altijd van uitgegaan dat de ene soort de andere moest domesticeren, zoals mensen met honden hebben gedaan.

„In zijn The Descent of Man komt Charles Darwin heel dicht in de buurt bij het idee dat de mens een zichzelf domesticerende soort is, maar hij schrikt er op het laatste moment voor terug. Hij zag in dat mensen in veel opzichten op gedomesticeerde dieren leken. In de eerste plaats omdat wij in onze persoonlijke interacties opvallend weinig agressief zijn, vergeleken met andere soorten. Maar hij begreep niet welk evolutionair mechanisme dat veroorzaakt kon hebben. ”

U stelt dat wij mensen steeds minder agressief zijn geworden, omdat in de vroegste menselijke gemeenschappen agressieve, dominante mannen ter dood werden gebracht.

„De mens is de enige soort die over de cognitieve verfijning beschikt om met een groep mensen tot het besluit te komen dat een agressief element geëxecuteerd moet worden. Je ziet dat nog altijd in bepaalde kleine gemeenschappen. Op de lange termijn heeft dat een systeem geschapen waarin wij beseffen dat wanneer we ons te agressief gedragen, te dominant, te asociaal, we gevaar lopen. Tegenwoordig dreigt dan gevangenisstraf. Maar voordat gevangenissen bestonden was er maar één manier om van mannen af te komen die als een gevaar voor de samenleving werden beschouwd: de doodstraf. Het heeft ons geleerd ons in te houden, aan te passen.”

U beschouwt die oeroude angst voor executie ook als basis van ons moreel besef, ons altruïsme. Zelfs onze neiging anderen de les te lezen, komt daar vandaan. We zijn niet goed, we zijn gewoon bang.

„Ik weet dat veel mensen de voorkeur geven aan het idee dat ons altruïsme voortkomt uit een of andere aangeboren positieve houding tegenover de wereld. En natuurlijk is het ingewikkeld, want dankzij een evolutionair psychologisch proces ervaren we zulke gevoelens ook werkelijk als positief. Ik beweer ook niet dat we enkel goed doen uit angst. Maar ik denk wel dat dit de beste evolutionaire verklaring is voor hoe we aan die positieve gevoelens zijn gekomen.”

Dus zelfs dat stemmetje in je hoofd dat wij ons geweten noemen…

„…is het gevolg van dat proces. Het is vanuit evolutionair perspectief echt heel lastig om te ontkennen dat ons geweten negatieve aspecten in zich draagt. Angst voor overtredingen, voor straf, angst om af te wijken van de norm.”

Dat proces heeft de mens minder impulsief, of reactief gewelddadig gemaakt, stelt u. Maar u onderscheidt een ander soort agressie, die u proactief noemt; geplande agressie.

„Ik denk dat het tijd wordt dit in de psychologie algemeen aanvaarde onderscheid te gebruiken om na te denken over onszelf. Miljoenen jaren geleden, in de prehistorie, zullen de mate van onze reactieve en proactieve agressie zo’n beetje op die van chimpansees geleken hebben. Voor proactieve, koelbloedig geplande agressie zijn twee verklaringen, die elkaar aanvullen. De eerste is onze neiging mensen buiten de eigen groep aan te vallen. De tweede ziet die vorm van agressie als gevolg van de gewoonte om op dieren te jagen. Chimpansees zijn heel goede jagers en tegelijk vallen ze ook regelmatig soortgenoten buiten de groep aan. Of we eerst jagers werden en later mensen buiten de groep aanvielen, of juist andersom, dat weet ik niet. Ik stel dat we ooit hoog scoorden in beide soorten agressie, en dat door het proces van zelfdomesticatie onze reactieve agressie is afgenomen.”

Onze maatschappij maakt ook onderscheid tussen moord en doodslag, tussen voorbedachte rade en een emotionele opwelling. Is er een biologische basis voor dat onderscheid?

„Zeker. Er is sprake van een verschillend neuronaal patroon in onze hersenen. Men heeft dat onderzocht bij muizen en ratten, omdat het bij mensen om ethische redenen niet mogelijk is. Bij reactieve en proactieve agressie zie je activiteit in verschillende delen van de hersenen. Het hoofdstuk in mijn boek hierover is nogal academisch geworden, maar ik wilde overtuigend laten zien dat er genoeg reden is om te denken dat wat we bij muizen, ratten en andere dieren zien, bij mensen niet anders zal zijn. Er zijn reële aanwijzingen voor. Natuurlijk zal mijn onderscheid in de toekomst verder verfijnd worden, zo gaat dat in de wetenschap.”

De experimenteel psycholoog Steven Pinker beweert dat ook onze proactieve gewelddadigheid afneemt. Er sterven almaar minder mensen door oorlogsgeweld.

„Maar dat is niet het gevolg van evolutie. Voor mij is de meest overtuigende verklaring hiervoor het ontstaan van steeds beter georganiseerde instituties, die het gevaarlijk maken voor agressieve partijen om zwakkeren aan te vallen. Net als bij andere soorten, bijvoorbeeld leeuwen, chimpansees, wolven, wordt proactieve agressie door mensen gebruikt wanneer ze de verwachting hebben dat ze zullen winnen. In de biologie draait het om zelfbehoud, we vermijden instinctief wat ons pijn kan doen. Maar we zijn niet minder geneigd tot proactief geweld.”

Maar als we steeds minder gewelddadig zijn geworden, hoe verklaart u dan de aanhoudende bewondering voor de ‘sterke man’?

„De beste verklaring voor het tolereren van een agressieve figuur binnen de gemeenschap is waarschijnlijk dat hij het meest effectief is in tijden van crisis en oorlog. Met hem gaan we winnen. Ook nu zie je dat mensen bij internationale spanningen meer geneigd zijn een leider te accepteren die dominant en agressief is. Iemand als Donald Trump is uitermate reactief agressief, hij schiet uit zijn slof, intimideert, slaat terug. Hij is het soort man dat in vroeger tijden, in een groep van jager-verzamelaars, die waarschijnlijk geen echte leiders kenden, niet getolereerd zou worden. Ook zijn proactieve agressie oogst bewondering bij zijn volgelingen .”

Ik denk dat de doodstraf een evolutionair mechanisme is geweest

Uw beeld van de menselijke evolutie lijkt me geen goed nieuws voor progressieven. Ons goede gedrag is gebaseerd op angst, onze neiging tot proactief geweld moet voortdurend ingedamd worden.

„Mijn verhaal is niet geriefelijk. De spanning tussen onze aangeboren goedmoedigheid en onze neiging om macht te misbruiken, zal er altijd zijn. In potentie zijn we allemaal kleine dictators en dat is wat de aanhangers van Rousseau niet willen horen. Ironisch genoeg zijn het altijd de Rousseau-ianen die het meest agressief zijn. Ze zijn zo overtuigd van hun gelijk dat ze niet kunnen verkroppen dat iemand er anders over denkt.”

Hoewel de doodstraf ons volgens u evolutionair minder agressief heeft gemaakt, bent u er een overtuigd tegenstander van.

„Ik denk dat de doodstraf een evolutionair mechanisme is geweest dat de emoties die wij nu hebben heeft geconditioneerd. Maar in het Pleistoceen waren geen gevangenissen, die bieden mensen de kans om hun leven te beteren.”

In uw boek verwijst u met instemming naar het werk van de Franse filosoof Michel Foucault, die de macht- en controlemechanismes in onze samenleving blootlegde. Uw conclusie is dat er altijd controle zal moeten zijn.

„Je kunt van mensen niet verwachten dat ze zich goed zullen gedragen omdat ze van nature geneigd zijn tot goedertierenheid. Want we hebben ook een Hobbesiaanse inborst. Hoe richten we een samenleving in die ons enerzijds een zo groot mogelijke vrijheid geeft en anderzijds onze asociale tendensen aan banden legt? We weten wat er gebeurt wanneer ergens een machtsstructuur wegvalt, zoals bijvoorbeeld in Libië. Of kijk naar de crisis waar we ons nu in bevinden, tal van voorbeelden van altruïsme en saamhorigheid, en tegelijk ook genoeg verhalen over mensen die misbruik van de situatie proberen te maken.”

Critici vatten uw ideeën als biologisch determinisme op. Als we gedoemd zijn tot agressie en machtshonger, is morele vooruitgang onmogelijk.

„Waarmee je me meteen op de kast hebt. Als je zoals ik ervan uitgaat dat de mens een genetische predispositie voor geweld heeft, voor intimidatie en autoritair gedrag, betekent dat niet dat je geweld als onvermijdelijk beschouwt. Waar zulke critici aan voorbij gaan, is dat die aangeboren eigenschappen zijn ingebed in sociale omstandigheden. Wanneer de agressor beseft dat hij zelf slachtoffer kan worden, zal hij geneigd zijn zich in te houden. Anders gezegd, zulke neigingen voegen zich naar de context.”

U heeft ook slecht nieuws voor cultureel conservatieven, die zich beroepen op onwrikbare biologische verschillen tussen man en vrouw.

„Zeker. Je ziet dat mannelijke gelaatstrekken en de vorm van het mannelijke hoofd steeds meer op die van een vrouw gaan lijken. Dat gaat samen met de evolutionaire selectie ten nadele van mannen die reactief agressief zijn. Niet dat er geen uitzonderingen zijn, natuurlijk. ”

Feminisering van de man is een natuurlijk verschijnsel? Veel moderne reactionairen zien dat juist als een ontkenning van de natuur.

„Ja, grappig. Net zoals mensen vroeger homoseksualiteit afwezen omdat het tegennatuurlijk zou zijn. En toen bleek het heel natuurlijk te zijn. Er zijn in de natuur al heel veel soorten waarbij mannetjes en vrouwtjes nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Er is geen enkele reden te denken dat dat in de toekomst niet met ons gaat gebeuren.”

Richard Wrangham: The Goodness Paradox. Vintage Books, 377 blz. 17,99 euro.