Recensie

Recensie Boeken

Als expert word je zo ingewisseld voor een geinige columnist met een mening

Academische Vrijheid Door de coronacrisis lijkt het de afgelopen weken alsof de experts hun gezag hebben teruggewonnen. Maar dat moet op de lange termijn nog blijken.

Indiana Jones als kampioen van de academische vrijheid in Steven Spielbergs Raiders of the Lost Ark
Indiana Jones als kampioen van de academische vrijheid in Steven Spielbergs Raiders of the Lost Ark Foto CBS/Getty Images

Academische vrijheid wordt tegenwoordig nogal eens in verband gebracht met de opwinding van populisten over immigratie-, gender-, integratie- of postkoloniale studies. Of met studenten of onderzoekers die hun oren dichtstoppen voor kritiek, alsof hun identiteit een kasplant is. Beide verschijnselen zijn wat marginaal, zeker ten tijde van zoiets als de coronacrisis. Gelukkig verschenen recent twee boeken die de discussie in breder perspectief plaatsen.

Het gaat om een Nederlandstalige bundel onder redactie van de Groningse historici Klaas van Berkel en Carmen van Bruggen en een Amerikaanse studie van Henry Reichman, die zijn brood verdient als denker over academische vrijheid. Het eerste boek leest heerlijk, zonder mankementen van de doorsnee bundel zoals het oplepelen van reeds elders gepubliceerde ruis. Het Amerikaanse boek behandelt het onderwerp uitputtend en is dus vooral nuttig voor specialisten. De boeken delen twee belangrijke bevindingen.

Ten eerste dat academische vrijheid iets anders is dan vrijheid van meningsuiting. Het willekeurig slaken van opvattingen hindert de wetenschap. Academische vrijheid is een ‘functioneel recht’ in de woorden van Klaas van Berkel. Henry Reichman spreekt over een vorm van ‘burgerschap’. De strekking is hetzelfde. Onderzoek bestaat bij de gratie van omgangsregels.

Eén zo’n regel is dat je je vak serieus neemt: een natuurkundige mag de Holocaust ontkennen, een historicus diskwalificeert zichzelf. Een gesjeesde politicologie-student mag brabbelen over IQ-verschillen tussen rassen, een psycholoog opgeleid om data te vergelijken komt dan in problemen. Een andere regel is dat hardop denken veiligheid vereist. Dat betekent dat openbaarheid helemaal niet vanzelfsprekend is. Studenten lijken dat soms te veronderstellen, wanneer ze energiek twitteren dat een linkse docent hen indoctrineert. Maar het aan de schandpaal nagelen van een docent of onderzoeker heeft weinig met kennisverdieping te maken.

Een koele minnaar

De tweede gedeelde bevinding is dat dit principe van academische vrijheid nog niet zo oud is. Een beetje afhankelijk van hoe je kijkt gaat het misschien om tweehonderd jaar. Veel nostalgie over Bildung and all that jazz door experimenterende vrije geesten gaat eraan voorbij dat er altijd missionarissen, ministers en miljonairs geweest zijn die invloed uitoefenen op aard en richting van onderzoek.

Dit plaatst paniek over invloed van de politiek of de markt op de universiteit in de tijd. Een universiteit is zeker geen handelshuis of ‘marktplaats van ideeën’, zoals Reichman terecht opmerkt. Het is een instelling waar experts de publieke zaak verder helpen, door opleiding en onderzoek. Maar zonder het verlangen naar nut of profijt was er tot nu toe precies niks gebeurd. Daar helpt het idee van academische vrijheid, het regelt de interactie tussen poen en professors – hofmakerij door een koele minnaar.

Het verlangen naar nut is hofmakerij door een koele minnaar

Beide boeken zien de bedreiging van die vrijheid dan ook uit de hoek van de financiering komen, niet uit de hoek van de campusoorlogen tussen links en rechts. Het mag bekend zijn, zeker in Amerika maar ook in Nederland verlangen sommige studenten en onderzoekers naar safe spaces waar alleen gelijkgestemden recht van spreken hebben. Reichman duidt dat vergoelijkend, als uitdrukking van problematische machtsverschillen tussen zwart en wit, man en vrouw. Belangrijker is volgens hem de invloed van geldschieters. Sinds de crisis van 2008 zijn er minder academici in vaste dienst en is er minder bescherming om te zeggen wat men denkt. Reichman somt een flinke rij Amerikaanse academici op die ontslag kregen, omdat ze commentaar gaven op wapenwetgeving of klimaatbeleid waar particuliere donoren aanstoot aan konden nemen.

De communicatie van universiteiten laat dat op een andere manier zien. Voor het thuisgevoel is er het verhaal over intellectuele groei. Voor de financiers een boodschap over nut en meerwaarde in economische termen. In het ‘magazine’ voor de academische mensen thuis een interview met een frisse promovendus die een bijzondere papyrus-rol vond. Indiana Jones! Maar alle formele verslaglegging staat bol van de meetbare bijdragen aan de samenleving. De koppeling tussen vrijheid en academie krijgt door dat belang van rendement inderdaad iets wonderlijks. Wat is er vrij aan de afgestudeerde die door hoepeltjes van tijdschriftredacties springt tot ze promoveert, om dan door hoepeltjes van geldkraan NWO te springen tot ze hoogleraar is om dan door hoepeltjes van het College van Bestuur van de universiteit te mogen springen? Er moet permanent worden opgebokst tegen een overheid die steeds meer valorisatie en publiek-private samenwerking eist.

Niet alleen het ministerie van Onderwijs maar ook het ministerie van Economische Zaken breidt gestaag zijn invloed uit op de toedeling van middelen, zoals de historicus Frans van Lunteren laat zien in zijn bijdrage aan Academische Vrijheid, ‘Het universitair grootbedrijf’. De strijd om fundamenteel onderzoek en slow science lijkt in de achterhoede gevoerd te worden. Streven naar excellentie en angst voor weglopende financiers disciplineren de onderzoekers. Bij wijze van voorbeeld in de bundel laat de Vlaamse historicus Lieven de Cauter aan de hand van een discussie rond een testveld aardappels mooi zien, hoe vakmatig verzet tegen genetische modificatie tot ontslag van een onderzoeker leidde. Met Monsanto beter geen ruzie zoeken.

Argwaan

Wetenschap kost veel geld en de universiteit leidt veel mensen op. Het beeld van de ivoren toren is daarmee allang verleden tijd. Maar mede omdat expertise tegenwoordig met de nodige argwaan bekeken wordt (‘ook maar een mening’), concludeert psychologe Trudy Dehue in haar bijdrage aan de bundel van Van Berkel en Van Bruggen, dat het zinniger zou zijn academische vrijheid door ‘democratische wetenschap’ te vervangen. Niet wanhopig je recht op nutteloosheid verdedigen, maar via serieus gesprek met niet-wetenschapsbeoefenaren morele kwesties, instrumenten en definities uitleggen en op die manier rechtvaardigen waar je het geld van de samenleving aan besteedt. De historicus Theo Verbeek denkt een andere kant op. Hij vraagt zich af waarom de academische vrijheid in Duitsland en Oostenrijk wel en in Nederland niet in de Grondwet staat.

Is dat optimistische kruid van openbaar debat opgewassen tegen het verlangen naar afrekenbaar nut waaraan de geesteswetenschappen ten onder gaan, laat staan tegen een autoritaire overheid zoals de Chinese, die de wetenschappers met het vervelende nieuws over Corona gewoon (mond)dood maakte? Het Nederlandse parlement nam in 2018 een motie aan om te onderzoeken of de universiteiten ‘aan zelfcensuur deden’, bedoeld werd: of ze niet te links waren. De motie en de reactie van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (‘sturing komt vooral door de markt’) waren mede aanleiding voor de bundel.

Lees ook: Alles moet anders op de universiteiten

De aard van die discussie stemt niet hoopvol, het kon geen parlementariër veel schelen. En voor de talkshows is het beredeneerd aftasten van de feiten zoals het RIVM dat doet, nog altijd inwisselbaar met de opvattingen van een geinige columnist. De maatschappelijke liefde voor expertise koelt onder druk van het populisme verder af. Van Berkel en Van Bruggen concluderen bescheiden dat de grootste uitdaging in de eenentwintigste eeuw zal zijn om diverse academische tradities in stand te houden, ‘die van de langzame schrijver, het gespecialiseerde laboratoriumonderzoek, het multiculturele perspectief en de breed geïnteresseerde student’. Dat kan al een hele toer worden.